Boek van Urgh 1

Het begon met een grapje. Een zinnetje in een blog over geluk. Het werd een enorm vervolgverhaal. 

Op deze pagina tref je deel 1 De lamme jager van het Boek van Urgh aan waarin we kennismaken met Urgh, zijn familie en dorpsgenoten.





1. Kennismaking met Urgh 

Gezeten op zijn prikslee bij het vuur van de Dorpswijze kijkt Urgh naar de bedrijvigheid aan de rand van het dorp. Ooit maakte hij deel uit van de jagers van het dorp. Ooit was hij de beste, de snelste, de sterkste en werd hij geëerd vanwege zijn jagerscapaciteiten. En nu? Nu is hij Lamme Urgh voor iedereen in het dorp maar vooral voor zichzelf. Urgh keert zijn slee en met krachtige halen van zijn sterke schouders loodst hij de slee over de sneeuw naar het bos voorbij de rand van het dorp, zo ver mogelijk bij de drukte rondom de uitbeenderij vandaan. Weg van het geschreeuw en gesnoef van de jagers, van de bewonderende blikken van de vrouwen. Weldra bereikt hij de open plek in het bos waar hij de kinderen van het dorp leert met een slinger om te gaan. Hij, de Grote Urgh, de Beste Jager Aller Tijden is tegenwoordig niets meer dan leraar van kinderen en bedenker van handige snufjes. Hij pakt zijn slinger en gooit een paar stenen richting de oefendoelen die staan opgesteld. Alle vijf de stenen treffen doel. Hij legt nog wat stenen op zijn slee en steekt de open plek over, verder het bos in, op zoek naar eenzaamheid.

Urgh mag dan gedacht hebben dat in de drukte niemand hem ziet gaan, maar daarin vergist hij zich. Elm, de jonge dorpswijze, ziet hem gaan en is bezorgd. Bezorgd om wat Urgh mogelijk gaat doen. Hij zucht. In gedachten ziet hij weer het gemangelde lichaam van Urgh voor zich, vele manen geleden. Geplet door de mammoet die hij wilde doden. Geplet, omdat op het moment dat hij over snelheid van benen moest beschikken zijn beenbedekking naar beneden gleed waardoor hij in zijn beweging werd belemmerd en door de mammoet onder de voet werd gelopen. De jagers hadden de mammoet gedood en daarna Urgh onder het dode lichaam uitgetrokken. Vol afgrijzen hadden ze naar zijn verbrijzelde benen gekeken, hadden zijn reutelende ademhaling aangehoord en waren blij toen hij buiten bewustzijn raakte. Hij werd stevig ingepakt, op een draagbaar gelegd en toen ze klaar waren om terug te gaan naar het dorp werd de draagbaar achter de mammoetslede gehangen en begonnen zij aan de barre en lange tocht terug naar huis. De stilte werd slechts af en toe verstoord door het gekreun van Urgh. Maar dat was aan het begin van de tocht. Al snel werd Urgh stil. Doodstil.

2. Toegang ontzegd 

Na 16 lange dagen en korte nachten bereiken zij het dorp en wordt Urgh naar het vuur van de dorpswijze gebracht zodat hij kan beginnen met de Rite van Doorgang die er voor moet zorgen dat de geest van Urgh zijn gemangelde lichaam kan verlaat om naar de voorouders af te reizen. Al snel is de Dorpswijze diep in trance. Zijn geest vindt de geest van Urgh en samen betreden zij het geestespad wat naar de voorouders leidt. Binnen luttele minuten bereiken ze de woonstee van de voorouders. Daar krijgt Dorpswijze een enorme schok. De voorouders weigeren Urgh toe te laten. Urgh’s leven is nog niet klaar. Urgh wacht nog een belangrijke taak. Wat die taak is willen ze niet zeggen. Dorpswijze begeleidt de geest van Urgh terug naar het lichaam van Urgh. Wanneer hij zijn eigen lichaam weer betreden heeft is het eerste wat hij roept: Haal de medicijnvrouw!

Medicijnvrouw doet wat zij kan maar het gebruik van zijn benen kan zij niet redden. De rest van zijn lichaam en geest wel. Na een halfjaar zit Urgh weer rechtop, klaar om zich nuttig te maken voor het dorp. Hij bedenkt de knoop, een simpele maar veel effectievere manier dan windsels om de beenbedekking stevig op zijn plaats te houden. Hij bedenkt sneeuwschoenen die de jagers meer grip geven bij het lopen door verse sneeuw. Hij heeft wat suggesties waardoor zowel de tunieken als de beenbedekkingen beter passend worden en de drager meer bewegingsvrijheid geeft. Hij maakt voor zichzelf een kleine eenpersoonsslee die, samen met twee prikstokken, er voor zorgt dat hij enige bewegingsvrijheid krijgt. Hij verbeterd de slinger en leert de kleintjes van het dorp hier mee om te gaan. Urgh doet er alles aan een volwaardig lid van de gemeenschap te blijven, een jager te blijven, maar de mammoetjagers kijken op hem en zijn slinger neer. Zij noemen hem Lamme Urgh, Leraar van Kinderen.

Weemoedig volgt Urgh de voor hem zo bekende padden en laat het dorp waar iedereen blij is dat de jagers allemaal, en beladen met rijke buit, zijn teruggekeerd ver achter en beneden zich. Zoals zo vaak vraagt Urgh zich af waarom zijn geest zich niet bij die van de voorouders mocht voegen, wat zijn belangrijke taak is. Zijn vindingen misschien, die er voor hebben gezorgd dat de mammoetjacht voor zijn dorpsgenoten een beetje veiliger is geworden? Maar als dat zo zou zijn, dan zouden de jagers hem toch geen Lamme Urgh noemen? Zouden ze toch niet op hem neerkijken? Peinzen prikt Urgh sneller en sneller in de sneeuw. Al snel hoort hij nog slechts het vage schurende geluid van zijn slee over de bevroren sneeuw. Het is zijn jagersinstinct wat hem waarschuwt dat er iets niet klopt. Dat het te stil is in het bos. Hij hoort geen vogels, geen klein wild in het struikgewas. Hij mindert snelheid, vervolgd behoedzaam zijn weg, zijn oren gespitst. Dan hoort hij een wolf grommen, gevolgd door een hoop kabaal en gejank. Hij stopt de slee, maakt de slinger klaar voor gebruik en legt deze samen met extra stenen op zijn schoot. Voorzichtig vervolgt hij zijn weg terwijl hij speurend om zich heen kijkt. Dan ziet hij rechts beneden hem hoe een wolvin zichzelf en haar jongen verdedigt tegen een holenleeuw.

3. Gevecht met een holenleeuw 

De schrik slaat Urgh om het hart. Een holenleeuw, zo dicht bij zijn dorp. Hij moet omkeren, zo snel mogelijk naar het dorp sleeën om de jagers te waarschuwen. Hij kijkt nogmaals naar het tafereel onder zich. De welpen van diverse leeftijd helpen dapper mee maar Urgh weet dat de wolvin en haar jongen geen schijn van kans hebben tegen een holenleeuw. Omkeren heeft geen zin. Zodra de holenleeuw hem in de gaten krijgt is hij er geweest en dan valt er niets meer te waarschuwen. Met een klap van zijn machtige voorpoot verbrijzeld de holenleeuw een van de welpen. Er breekt iets in Urgh. Hij pakt zijn slinger en richt op het hoofd van de leeuw. Eens kijken of de voorouders zijn geest nog steeds zullen tegenhouden wanneer hij het dorp heeft beschermd! Hij is er klaar voor.

De eerste steen is raak, de tweede, derde en vierde ook. De holenleeuw draait zich om en ziet Urgh. Urgh blijft stenen gooien. De holenleeuw is klaar met de wolven en rent op Urgh af. Met een krachtige sprong stort hij zich op Urgh. Urgh heeft zijn slinger laten vallen en houdt beide prikstokken met de spitse punten naar voren. Door de kracht waarmee de holenleeuw zich op hem stort dringen de prikstokken diep het lichaam van de bergleeuw binnen, terwijl de slee naar achteren schiet. Urgh laat de stokken los, grijpt naar zijn mes om zich te verdedigen. Het blijkt niet nodig te zijn. De holenleeuw ligt stuiptrekkend op de grond en sluit na een korte doodsstrijd met een laatste grom de ogen. Een van de prikstokken is dwars door zijn hart gegaan.

Nahijgend, en dankbaar voor het idee om zijn werpspiesen met de versterkte punten als prikstok te gebruiken, kijkt Urgh naar de wolven, of zij een gevaar zijn. Nee, de wolven zijn allemaal te zwaar gewond om voor hem nog een gevaar te vormen.  Hij hoort zo af en toe zachtjes janken, meer niet.

Urgh denk na over zijn volgende stap, hoe de dode leeuw naar het dorp te verslepen. Extra vlees is altijd welkom en de huid van een kolenleeuw brengt geluk Maar eerst moet hij zijn prikstokken terug hebben, anders komt hij nergens. Behoedzaam trekt hij de stokken uit het lichaam van de kolenleeuw en rolt ze door de sneeuw om het bloed er van af te wassen. Speurend rondkijkend ziet hij wat jonge boomloten, ongeveer een pols dik. Die moet hij met zijn bijl om kunnen hakken. Het begint al te schemeren wanneer de draagbaar eindelijk klaar is. Het dier op de draagbaar krijgen kost hem meer tijd en moeite dan hem lief is, maar na veel zweten en zwoegen lukt het hem. Met wilgentwijgen maakt hij de draagbaar aan zijn slee vast, klaar voor de reis naar huis. Hij is nog maar net vertrokken wanneer hij wederom zachtjes een wolf hoort janken. Hij kijkt om zich heen maar ziet niets. Hij concentreert zich op het geluid, het lijkt van ergens schuin voor hem te komen. Dan ziet hij in het struikgewas een wolvenwelp, de kleinste van het stel. Niet gewond maar wel moe, eenzaam en alleen. In een opwelling sleet Urgh recht op hem af en vist de welp onder het struikgewas vandaan. Het beestje heeft niet eens de kracht om te vechten. Zacht jankend laat hij zich door Urgh oppakken aaien. Urgh hoort de maag van het welpje knorren. Uit zijn pak haalt hij wat gedroogd mamoetvlees, neemt zelf een stevige hap en scheurt dan een klein stukje vlees af voor het welpje die er dankbaar op begint te knagen. Al snel is de reep mammoetvlees in hun magen verdwenen. Het welpje likt aan Urgh’s pols en rolt zich dan op Urgh’s schoot op en valt in slaap.
Behoedzaam en vol verwondering vervolgt Urgh zijn weg terug naar zijn dorp. Zijn wens om zich zo snel mogelijk bij de voorouders te voegen is verdwenen. Hij wil dit welpje graag groot zien worden zodat ze samen kunnen gaan jagen. Vol dromen en ideeën vervolgt hij zijn weg. Laat ze hem maar Lamme Urgh noemen. Hij weet wat hij waard is. Hij is Lamme Urgh, Leraar van Kinderen. En daar is helemaal niets mis mee!
4. Stamelen 
Het is al donker wanneer Urgh het dorp nadert. De holenleeuw op de draagbaar wordt met de minuut zwaarder. Urgh komt nauwelijks meer vooruit en mist de kracht om zijn komst aan te kondigen. Het is dorpswijze die hem bij het licht van de man en sterren het bos uit ziet sleeën.‘Urgh!’, roept hij, en hij rent op de lamme jager af. Hij ziet de holenleeuw op de draagbaar en roept met overslaande stem ‘Met rijke buit’! Urgh stopt met bewegen en laat zijn handen in zijn schoot rusten. Meteen begint het welpje zijn polsen te likken.

De toegesnelde mannen willen de draagbaar los maken en meeslepen naar de plek waar het vlees en de huiden verwerkt worden wanneer zij een zacht gegrom horen. Het komt uit de buurt van Urgh. Dan zien ze het kleine wolfje met ontblote tanden, bij Urgh op schoot staan. Urgh aait het beestje zachtjes en fluistert ‘Het is goed, kleintje’. Het wolfje likt nogmaals zijn pols en gaat weer liggen. ‘De geesten van de voorouders zijn bij Urgh’, zegt Dorpswijze, ‘Zij helpen hem om met de dieren te praten’.


Op aanwijzing van Urgh wordt de draagbaar met de holenleeuw van zijn slee losgemaakt. Terwijl de mannen het karkas wegbrengen sleet Urgh samen met de dorpswijze naar hun vuur. De dorpswijze pakt wat te eten en drinken voor Urgh. Rustig en bedaard, zonder het welpje te vergeten, maakt Urgh alles soldaat. Alle dorpsbewoners hebben zich rondom de twee mannen en het welpje verzameld. Iedereen zit vol vragen maar Dorpswijze maant iedereen tot stilte. Pas wanneer Urgh voldaan is vraagt Dorpswijze wat er die dag is gebeurt. Hortend en stotend vertelt Urgh zijn verhaal. Langzaam maar zeker wordt zijn stem krachtiger, vallen de woorden op hun plaats. Hij eindigt met ‘Het vlees is voor iedereen, de huid voor mijn vriend Dorpswijze,  Kleintje blijft bij mij. Ik ben Urgh, de lamme jager met de slinger en de wolf’!


5. De vlucht 

De winter duurt lang dat jaar en de jagers blijven langer weg dan de dorpsbewoners gewend zijn. De voedselvoorraad slinkt snel, ook omdat de verzamelaars alle bieten, knollen, bessen en noten in de wijde omgeving al gevonden hebben. De oude mannen uit het dorp proberen nog wel wat klein wild te vangen, maar het wild is schaars en met stramme ledematen valt jagen niet mee. Eigenlijk is jagen op klein wild de taak van de oudste jongens, maar die zijn dit keer met de jagers mee. Met elke vermindering van de hoeveelheid dagelijks voedsel verandert de stemming in het dorp richting Kleintje. Werd hij eerst nog gezien als een positief teken van de voorouders, een voorboden van de lente, nu wordt hij gezien als een slecht teken. Urgh weet dat er niets anders op zit dan het dorp te verlaten wil hij zijn vriend in leven houden. Urgh weet ook dat vertrekken uit het dorp in deze kou, zonder voedselvoorraad, een wisse dood betekent. Kan hij dan niet beter Kleintje opofferen en het dorp een matige maaltijd bezorgen? Een matige maaltijd, want veel vlees heeft Kleintje ook niet op de botten.

Die avond, na een karig maal, zegt de dorpswijze tegen hem ‘Je moet een beslissing nemen Urgh. Samen vertrekken of alleen hier blijven. De mensen willen morgen Kleintje slachten.’ Urgh kijkt naar Kleintje die bij het vuur op bot ligt te kauwen en weet, het wordt vertrekken. ‘We gaan’, zegt hij, ‘Kleintje is mijn vriend. Vrienden geef je niet op’. Dorpswijze knikt en helpt Urgh met het verzamelen van spullen om buiten het dorp te overleven. Wanneer ze klaar zijn zegt de dorpswijze ‘Ga slapen Urgh! Ik zal vannacht wakker blijven en over jullie waken zodat jullie morgen fris kunnen vertrekken’.

De volgende ochtend nog voor het krieken van de dag vertrekken de lamme jager en zijn wolf met knagende magen uit het dorp, enkel uitgezwaaid door de dorpswijze. Urgh werkt hard om in zo kort mogelijke tijd zo veel mogelijk afstand tussen het dorp en hem te creëren. Kleintje voor zijn slee binden is geen optie. Daarvoor is de jonge wolf nog veel te klein. De jonge wolf lijkt te beseffen dat er iets bijzonders aan de hand is. Hij blijft dicht bij de slee van Urgh.  Een dik uur na vertrek vindt Urgh een beschut plekje in de zon waar hij even gaat rusten. Urgh schept wat sneeuw in zijn drinknap en laat dit in de zon ontdooien. Kleintje gaat met gespitste oren, als toonbeeld van waakzaamheid, op zijn benen liggen om hem warm te houden. Ineens schiet Kleintje overeind en duikt het struikgewas in. Urgh hoort zijn snelle voetstappen steeds sneller verder weg gaan. Hij roept en fluit maar Kleintje geeft geen gehoor. Urgh drinkt wat gesmolten sneeuw, gooit de rest weg, bergt de nap op, draait zijn slee en gaat het spoor van Kleintje volgen. Maar dat valt niet mee. Niet gehinderd door een slee is Kleintje dwars door dichte struiken en over kale rotsen heen geschoten. Urgh is nog niet zo heel erg ver wanneer Kleintje terugkomt, met een mager dood konijn in zijn bek. Hij legt het naast de slee neer en kijkt Urgh aan alsof hij zeggen wil ‘Zal ik er nog een halen’?

Urgh voelt de honger in zijn maag, pakt het konijn, draait de slee en gaat terug naar de beschutte plek. Daar maakt hij een vuur en gaat het konijn villen. De ingewanden gaan meteen naar Kleintje. Urgh snijdt de meest malse stukken van het konijn er af en legt deze naast het vuur om ze snel te laten garen. De rest is voor Kleintje die zichtbaar geniet van zijn maal. Al snel is er weinig konijn meer over. Terwijl Urgh wacht tot zijn eten gaar is gaat Kleintje weer op verkenning uit. Hij ziet weer een konijn en gaat er achteraan. Het konijn ziet de wolf en begint te rennen, langs het vuur, langs Urgh op zoek naar een holletje waar hij in kan duiken. Te laat vindt hij dat holletje en even later legt Kleintje weer een konijn bij Urgh neer die het magere beestje dankbaar in ontvangst neemt.

Het volgende konijn wat Kleintje de beschutte plek opjaagt wordt door een steen uit Urgh’s slinger gedood. Er volgen nog een fazant (door Kleintje) een eekhoorn (Urgh) en nog drie konijnen (samen). Na elk beest wordt de grijns van Urgh groter. Hij weet het nu zeker: ‘Zijn vriend Kleintje is een geschenk van de voorouders en geen slecht voorteken’. Wanneer ze die avond met volle warme buiken en hun buit het dorp binnen komen worden ze wederom als helden ontvangen. Wanneer Urgh en Kleintje de volgende ochtend het dorp verlaten, zijn zij niet alleen. Een aantal van de oudere meisjes die handig zijn met de slinger gaan met hen mee op jacht naar voedsel voor het dorp.

6. jacht op klein wild 

De eerste paar keer dat Urgh met de vier meisjes op jacht gaat levert niet veel buit op. De lamme jager wil de meisjes eerst wat meer laten oefenen met de slinger alvorens naar gebieden te gaan waar de meisjes nog nooit zijn geweest. De meisjes zelf zijn nerveus in het gezelschap van de zwijgzame lamme jager op zijn slee en een beetje bang voor Kleintje die met de dag groter lijkt te worden. Na een paar dagen is de jager van mening dat de meisjes voldoende training hebben gehad en genoeg aan hem gewend zijn om wat verder van de betrekkelijke veiligheid van het dorp vandaan te gaan. ‘Morgen gaan we echt jagen’, zegt hij op een avond tegen de dorpswijze. Medicijnvrouw Nana die hun vuur deelt zegt tegen Urgh ‘Neem ook wat verzamelmanden mee. Wellicht vinden jullie ook nog wat eetbare planten. Een van de meisjes, Pew, is door mij getraind en erg goed in het vinden van verborgen groentes’.

De volgende dag vertrekt het gezelschap. De meisjes hebben allemaal een verzamelmand bij zich, en ook aan Urgh’s slee wordt een mand bevestigd. Urgh op zijn slee geeft het tempo aan. De lamme jager leidt hen omlaag en de meisjes moeten flink doorlopen om hem bij te houden. Na een uur of twee stoppen ze op een beschutte plek. Blij zakken de meisjes op de grond, even rusten voordat ze gaan jagen maar Urgh gunt ze weinig rust. Hoewel het langzaam lente wordt zijn de dagen nog niet zo lang en de weg naar huis zal zwaarder zijn dan de heenweg. Op zijn teken nemen de meisjes hun positie in, slinger en stenen bij de hand. Kleintje duikt het struikgewas in. Al snel schiet er een eerste konijn de open plek op. Het beestje wordt geveld door een steen van Urgh. Pew loopt naar het konijn toe om het op te rapen als haar oog getrokken wordt door de fijne pluimen tussen de struiken. ‘Zouden dat’? Ze brengt het konijn naar Urgh en vraagt of ze een van zijn prikstokken mag lenen om even onder de struik te wroeten. Al snel laat ze een vreugdekreet horen.  Het is inderdaad wilde asperagus. Ze pakt haar mes en mand en begint te verzamelen. Dan wordt Pew’s oog getrokken door een bramenstruik waar nog wat vruchten aan hangen. Ze roept Tas om haar te helpen. De vruchten zijn wel klein en verschrompeld, maar alles is beter dan niets.

Terwijl beide meisjes aan het verzamelen zijn, jagen de ander twee samen met Urgh verder. Meuw, de kleinste van de vier ziet ineens duiven in een boom zitten. Ze seint naar Urgh en Zoe die de vogels ook zien. Met snelle handgebaren seint Urgh wie op welke vogel moet richten en even later verlaten drie  stenen de slinger en vallen er drie duiven op de grond. De overige duiven vliegen verschrikt op maar Urgh ziet kans om in de vlucht nog een vierde en een vijfde vogel te raken. Na een paar uur jagen en verzamelen vindt Urgh het welletjes en geeft een teken dat ze even wat moeten eten en daarna aan de reis terug naar het dorp moeten beginnen.

Zoals verwacht duurt de terugweg langer dan de heenweg. De manden zijn vol en de weg terug naar het dorp loopt soms redelijk steil omhoog. Op sommige stukken ligt nauwelijks nog sneeuw en heeft de lamme jager moeite met het vinden van houvast voor zijn prikstokken. De meisjes zijn na een paar dagen in zijn gezelschap wat meer aan hem gewend en daardoor durft Pew het aan hem op die momenten te helpen door de slee te duwen. Urgh laat het stilzwijgend toe. Het begint al donker te worden wanneer ze het dorp bereiken. De meisjes en Urgh brengen hun volle manden naar de Dorpswijze die voor de verdeling van het voedsel zorgt. Al snel hangt er boven het dorp de geur van vers gegrild vlees en van gegrilde groentes. Zo aan het begin van de lente is het een waar feestmaal. De meisjes vertellen honderduit over hun tocht met de lamme jager.

Urgh zelf doet er het zwijgen toe, net als tijdens de terugreis. Hij maakt zich zorgen over zijn mobiliteit. Nu de sneeuw langzaam maar zeker begint te smelten wordt zijn slee onbruikbaar en is hij tot de volgende winter aan huis gekluisterd. Die avond, wanneer hij naar bed gaat spreekt hij zijn angst uit tegen Dorpswijze. Hij voegt er aan toe ‘Als de lente snel doorzet kan ik alleen maar hopen dat de jagers snel thuiskomen, anders wordt het weer honger lijden’. Ondanks zijn zorgen valt Lamme Urgh snel in slaap. Dit in tegenstelling tot Dorpswijze die nog lang na ligt te denken over een mogelijke oplossing voor Urgh’s probleem. Tegen de ochtend valt hij bijna in slaap wanneer hij een van de voorouders  voor zijn geestesoog ziet verschijnen die zachtjes tegen hem zegt ‘Komt tijd komt raad, Urgh verzint wel wat. Al moeten we het hem zelf influisteren’.

7. Vissen 

Urgh, Kleintje en de meisjes kunnen nog vier maal uit jagen gaan. Dan heeft de dooi dusdanig hevig ingezet dat grote delen van de omgeving voor Urgh onbegaanbaar zijn geworden. Wanneer ze de  vierde keer met buit in het dorp komen heeft bijna niemand aandacht voor hen. De jagers zijn teruggekomen, beladen met grotere buit en spannende verhalen. Wanneer de volgende dag het uitbenen begint trekt Urgh zich terug uit het dorp. Dit keer is het niet alleen de dorpswijze die hem ziet gaan, ook Pew kijkt hem na.
Urgh kiest er noodgedwongen voor om richting de rivier te gaan. De grond is daar altijd al wat drassig en met al het vocht van de dooi glijdt de slee behoorlijk snel over de modder. Kleintje vindt het minder prettig om door de modder te banjeren en doet zijn best om zo veel mogelijk droge stukken land op te zoeken maar al snel zit er een dikke laag modder onder zijn poten en kleeft de prut in zijn vacht.

De rivier is breder dan normaal vanwege al het smeltwater wat haar weg richting zee zoekt. Urgh sleet zo dicht mogelijk naar de rand van de rivier toe. Peinzend kijkt hij over de rivier uit, naar de overkant, naar de stroming, naar de takken die in het water drijven. Automatisch pakt zijn rechterhand een riviersteen en laat deze over het water ketsen. Meteen schiet Kleintje achter de steen aan. De steen ketst vier, vijf keer en verdwijnt onder water. Kleintje kijkt verbaasd rond, zoekt de steen en komt even later teleurgesteld terug aan wal. Vlak bij Urgh schudt hij zich eens lekker uit. ‘Maf beest’, zegt Urgh, ‘Spetter je grootje nat’.  Kleintje kijkt hem vragend aan. Dan pakt Urgh een stuk drijfhout wat langs de waterkant ligt en gooit dit het water in. Weer springt Kleintje er achter aan.

Wanneer Pew samen met haar vriendin Tas bij de rivier aankomen horen ze als eerste het lachen van de anders zo sombere en zwijgzame jager. Ze lopen naar de twee vrienden toe en Kleintje laat hen zijn nieuwe trucje zien: Zich uitschudden. De meisjes gillen het uit. Urgh kijkt de meisjes vragend aan. ‘We hadden zin in een picknick’, zei Pew. ‘We liepen richting de rivier en ineens zagen we het spoor van je slee en hoorde we je lachen. Eet je mee? We hebben voldoende voor drie’. Pew heeft het woord drie nog nauwelijks uitgesproken wanneer Kleintje een zachtjes jankt. ‘Ja ja’, zegt Tas, ‘Voor jou kunnen we ook nog wel wat missen’. Urgh zegt niets, maar hij stuurt de meisjes ook niet weg.
Kleintje gaat op de stenen bij het water liggen terwijl de meisjes het eten uitpakken en uitdelen. Al snel zitten ze alle vier te eten. De meisjes praten zoals meisjes praten kunnen. Urgh doet er het zwijgen toe, kijkt weer over het water. Zo af en toe wordt zijn blik naar de meisjes en Kleintje getrokken. Pew en Tas volgen zijn blik over het water. Ineens ziet Tas iets bewegen in het water. Een vis. ‘Zullen we’? zegt Tas tegen Pew. Die knikt en begint haar voeten te ontbloten terwijl Tas rondkijkt naar een geschikte stok om mee te vissen. Urgh kijkt wat de meisjes aan het doen zijn. Ook hij heeft de vis gezien. Ineens steekt hij beide werpspiesen die hij als prikstok gebruikt richting de meisjes en zegt ‘Hier, gebruik deze maar’. Blij verrast nemen beide meisjes een stok aan.

Kleine kreetjes van kou slakend lopen beide meisjes tot aan hun kuiten het ijskoude water in. Kleintje denkt dat het een spelletje is en wil de meisjes volgen maar Urgh roept hem terug. Na een aantal mislukte pogingen lukt het Tas om een vis te spiesen. Ze brengt de nog spartelende vis aan wal, weet even niet goed wat ze er mee moet. Urgh neemt de werpspies aan, schuift de vis er af en verlost de vis met een stevige klap met een steen uit zijn lijden. Hij geeft de werpspies terug aan Tas. Met handige bewegingen maakt hij de vis schoon. De vis is nog maar net schoon wanneer Tas weer een vis aan haar werpspies heeft zitten. Even later heeft ook Pew succes. Al met al lukt het beide meisjes om een vis of zeven te vangen die allen door Urgh schoongemaakt worden. Wanneer Pew vis nummer acht komt brengen zegt Urgh ‘Het is genoeg geweest. Nu uit het water komen. Het is nog veel te koud. Bovendien wordt het tijd om terug naar het dorp te gaan’.

De meisjes zijn verbaasd over de bezorgdheid in de stem van de lamme jager en komen zonder te morren het water uit. Al snel beginnen de drie jagers en de wolf in stilte aan de tocht terug naar het dorp. Zo af en toe wordt de stilte verbroken door de meisjes die elkaar  en Urgh op eetbare planten en bomen wijzen  en soms wat knollen opgraven. Als jager is Urgh bekend met de meest voorkomende planten maar de meisjes en vooral Pew herkennen ook de meer bijzondere soorten. Urgh luistert aandachtig naar de uitleg van Pew en al snel speurt hij met de meisjes mee. Het is Urgh die vanaf zijn lagere positie op de slee, als eerste het bed met wortelen ontdekt. Blij graven de meisjes dit extra voedsel uit.

Hoewel ongepland komen de drie jagers weer met een kleine maar bijzondere buit terug in het dorp. Die avond wordt er naast mammoet ook een visstoofpot met wortelen geserveerd. Die avond, wanneer Urgh nog nagenietend over de dag in zijn slaaprol ligt te luisteren naar de slaapgeluiden van Kleintje voelt hij zich van binnen warm worden.  Zijn leven begint weer zin te krijgen.

8. Alles kwijt

Tot groot verdriet van Urgh zet de lente door. De sneeuw verdwijnt helemaal onder de warme stralen van de zon. Tot grote vreugde van de vrouwen en meisjes die belast zijn met het verzamelen van voedsel valt er met enige regelmaat een verfrissend buitje. Daar groeien de kruiden en de gewassen goed van. Ook Urgh is blij met elke regenbui. Regen zorgt ervoor dat de paden en de wijde omgeving redelijk begaanbaar blijven voor de jager op zijn prikslee. Daar waar hij het even niet alleen redt zijn daar altijd Pew en Tas die hem helpen. De laatste dagen heeft ook de jonge medicijnvrouw Gaya zich bij het kleine gezelschap aangesloten. Deze medicijnvrouw maakt dankbaar gebruik van de lage positie van Urgh om overal goed rond te speuren naar eetbare en geneeskrachtige kruiden. De enige jager in het kleine gezelschap is Kleintje wiens jachtinstinct steeds sterker wordt. Soms zien de mensen de jonge wolf bijna de hele dag niet. Wanneer hij terugkomt heeft hij meestal wild bij zich en is blij de mensen maar  vooral Urgh te zien.

Urgh heeft geen goed gevoel over de steeds langere afwezigheid van Kleintje. Hij is bang dat de steeds groter wordende wolf hem gaat verlaten. Elke ochtend is hij blij wanneer hij de wolf aan zijn voeten ziet liggen, elke avond is hij blij wanneer de wolf hem bijna van zijn slee afspringt. Er volgen een paar dagen zonder regen en de grond wordt harder en harder. Zelfs met de hulp van de anderen kan Urgh het dorp niet meer uit. Het is voor allen te zwaar. Met pijn in zijn hart laat Urgh Kleintje met de medicijnvrouw en de twee jonge meisjes mee gaan. Hij weet dat Kleintje die ruimte nodig heeft.

Een paar dagen later heeft Urgh geluk. Die nacht heeft het dusdanig hard geregend dat hij weer een keertje meekan, weg uit het dorp waar overdag alleen tandeloze ouderen en baby’s zijn. Gaya wil naar de rivier en wil daar ook overnachten. Een nacht buiten het dorp, het klinkt Urgh als muziek in de oren. Met z’n vieren vertrekken ze naar de rivier. Gaya wil naar een punt wat zeker vier uur verder lopen is dan de plek waar Urgh en de meisjes gevist hebben. Het is al middag wanneer ze daar aankomen. Terwijl de meisjes planten gaan verzamelen zet Urgh vislijnen uit. Voor de verandering blijft Kleintje in de buurt en gaat niet alleen op jacht maar verstoort de vislijnen van Urgh. ‘Zo kan ik nooit wat vangen’, lacht Urgh, en probeert de niet meer zo kleine wolf aan de kant te duwen, wat hem niet lukt. Kleintje vindt het wel een leuk spelletje en al snel zijn man en wolf in een stoeipartij verwikkeld die wilder en wilder wordt. Urgh’s slee komt door de worsteling steeds dichter bij de rand van de rivier te staan. Gaya staat op een afstandje glimlachend te kijken naar de stoeipartij. Ineens lacht zij niet meer. De wolf, Urgh en de slee schieten de rivier in en worden door de sterke stroming meegesleurd.

Vechtend tegen het water en worstelend met de koorden waarmee hij zich vast heeft gezet op de slee moet Urgh er alles aan doen om niet in paniek te raken. Ineens is daar Kleintje die met zijn scherpe tanden aan de koorden knaagt. Geschokt volgt Gaya hun tocht rennend langs de oever van de rivier. Bijna gelijktijdig hebben Urgh en Kleintje de koorden los en ziet Urgh zijn slee snel van zich weg drijven. Met krachtige slagen zwemt hij naar de kant waar Gaya hem aan kant helpt. Urgh is ten einde raad. Hoe moet hij zonder slee terugkomen in het kamp? Het dorp? Voor nu heeft Gaya een oplossing. Zwemmen.  ‘Wanneer je dicht bij de oever blijft heb je weinig last van de stroming. Maar trek wel je kleren uit. Dan zwem je lichter’.  Even later ligt Urgh weer samen met Kleintje in het water en zwemt richting het kamp terwijl Gaya met zijn kleren in haar hand over de oever loopt. Het kamp komt al snel in zicht. Achterwaarts komt Urgh het water uit. ‘Lopend’  op handen en billen zoekt hij een plekje om te gaan liggen terwijl Kleintje om hem heen springt en weer wil stoeien. Gaya  legt zijn kleren in de zon terwijl zij peinzend  naar de  benen van de lamme jager kijkt. Het rechterbeen ligt er gedraaid en verfrommeld bij, maar het linkerbeen ziet er redelijk normaal uit. Ze vraagt zich af of dat been het gewicht van Urgh kan dragen. Dan zouden krukken een optie kunnen zijn.  Maar hoe komt ze daar achter. Stel dat het been niet sterk genoeg is, dan heeft ze Urgh voor niks hoop gegeven. Dat is iets om eerst goed over na te denken.

9. Nooit meer op een draagbaar

Wanneer Gaya op zoek gaat naar eten en brandhout blijft Urgh alleen achter in het kamp. Na een tijdje waait er een koude wind door het kamp die de lamme jager er aan herinnert dat het nog geen zomer is. Al snel ligt Utgh te rillen en weet hij dat het tijd wordt om zijn kleren aan te trekken. Op handen en billen schuift hij richting zijn kleren. Ze zijn bijna droog en hij begint zich aan te kleden. Eerst zijn tuniek, dan zijn broek. Lenig buigt hij zich voorover. Zijn linkerbeen kan zelf de broekspijp in schuiven, zijn rechterbeen moet hij helpen. Het laatste stukje moet hij liggend doen waarbij zijn linkerbeen zijn rechterbeen ondersteunt. Zodra hij  aangekleed is begint hij van de stenen die hij al schuifelend op handen en billen kan verzamelen een vuurplaats te bouwen. Dan komt Gaya met haar mand vol eten en  brandhout terug. Ze legt het brandhout naast de halve ring van stenen die Urgh neer heeft gelegd en gaat hem helpen met stenen verzamelen. Al snel hebben ze samen een veilige vuurplaats gemaakt. Gaya geeft Urgh haar vuursteen en Urgh gaat aan de slag om vuur te maken.

Terwijl hij op de grond bij de vuurplaats zit ziet Gaya hoe hij voorzichtig zijn linkerbeen wat buigt zodat hij met zijn bovenlijf dichter bij de vuurplaats kan komen om het vuur aan te steken. Het is de losse droge bast van een tak die als eerste begint te smeulen. Urgh blaast zo hard hij kan om het smeulen over te laten gaan in een vlam. Dan legt hij kleine takjes rondom het vlammetje, gevolgd door grote takken. Zodra het vuur goed brand schuift hij een stukje achteruit en kijkt tevreden naar het vuur voor hem.  ‘Dat doe je handig’, zegt Gaya, doelend op de kleine bewegingen die hij met zijn benen maakt. Urgh reageert niet, kijkt strak de andere kant op en ziet Pew en Tas het kamp in lopen. De meisjes worden door Kleintje enthousiast begroet. ‘He Urgh, waar is je slee?’, vraagt Pew hem. ‘Weg’, zegt Urgh kort. ‘In het water gevallen’, voegt hij er somber aan toe. De meisjes kijken verbaasd, snappen het niet. ‘Hoe kan jouw slee nu in het water vallen?’ vraagt Pew, ‘Je maakt je er altijd aan vast.’ Urgh knikt en vertelt in een paar woorden wat er gebeurd is. Dan zegt Tas datgene waar Urgh met alle macht niet aan probeert te denken. ‘Hoe moet je nu thuis komen zonder slee.’ Urgh haalt zijn schouders op. ‘We kunnen een draagbaar maken’, zegt Pew. ‘Dat nooit meer’, gromt Urgh, ‘Ik ga nooit meer op een draagbaar naar het dorp. Ik ga nog liever dood.’ Het gezicht wat hij hierbij trekt spreekt boekdelen.

Gaya schrikt van de heftige reactie van Urgh. ‘Ik weet misschien een andere oplossing’, zegt zij zachtjes, ‘Maar daarvoor heb ik twee rechte, jonge boomstammetjes nodig, ongeveer een kop kleiner dan jij bent’. Urgh kijkt haar aan en zegt dan ‘Een slee maken kost tijd. De stammetjes moeten gespleten worden, er moeten gaten in gemaakt worden voor de opbouw van de slee. Met goed gereedschap en hulp van Vakman Azel ben ik er de vorige keer wel 3 manen mee bezig geweest. En ik heb hier geen gereedschap, zelfs geen goede bijl. Die zat in mijn pak wat aan de slee hing’. Gaya slikt even en zegt dan nog zachter: ‘Ik zat aan krukken te denken. Je rechterbeen heeft zo te zien geen kracht meer, maar je linkerbeen is recht en je kan hem bewegen. Ik hoop dat hij sterk genoeg is om je samen met krukken te ondersteunen zodat je weer kan lopen. Maar dat weet ik niet zeker. Dat weet ik pas wanneer je het geprobeerd hebt. En zelfs wanneer het lukt zal je niet hard vooruit komen en zal het zwaar zijn. Maar je bent sterk, heel sterk.’ Urgh kijkt haar vol ongeloof aan. ‘Krukken’, stamelt hij, ‘Lopen?’ Hij valt stil. ‘Maar wat als het niet lukt?’, vraagt hij dan. ‘Dan zullen we hier langer moeten blijven om een nieuwe slee te maken’, beslist Gaya spontaan. ‘Jij gaat niet meer op een draagbaar’.

10. Staan? 

De twee meisjes hebben zwijgend staan luisteren. Ineens fluistert Tas Pew wat in het oor. Pew denkt even na en antwoord ‘Dat zou kunnen werken Tas.’ Ze draait zich naar Urgh toe en zegt ‘Een eindje verderop ligt naast het pad een ondiepe brede kuil. Wanneer je daar naar toe schuifelt en je benen over de rand laat bungelen, kunnen Tas en ik in de kuil gaan staan en kan je op ons steunen om te kijken of je been het houdt.’ De beide volwassenen kijken verrast op na het horen van dit idee. Dan haalt Urgh diep adem, draait zich richting het pad en begint te schuifelen. ‘Waar wachten jullie nog op?, zegt hij. De drie vrouwen komen in beweging en volgen Urgh naar de kuil. Kleintje huppelt vrolijk om hen heen.

Sneller dan verwacht zit Urgh aan de rand van de kuil. De teen van zijn rechtervoet raakt net de grond zo is zijn been verdraait, maar zijn linkervoet staat plat op de bodem van de kuil. De beide meisjes springen in de kuil en gaan iets gehurkt aan weerszijde van Urgh staan zodat hij zijn armen makkelijk om hun schouders kan slaan. Gaya volgt wat rustiger. Zij gaat pal voor Urgh staan met haar handen tegen zijn schouders om hem terug te duwen mocht hij voorover dreigen te vallen. Terwijl de drie vrouwen hem gespannen aankijken haalt Urgh diep adem en sluit zijn ogen. Heel voorzichtig schuift hij nog iets naar voren en verplaats zijn gewicht naar zijn linkervoet en de schouders van de meisje.
Heel langzaam, zwaar steunend op de beide meisjes, komt Urgh wankelend omhoog totdat hij staat. Langzaam verplaats hij zijn gewicht van de schouders van de meisjes naar zijn linkerbeen. Heel even maar, dan laat hij een deel van zijn gewicht weer op de meisjes leunen en dan gaat hij weer zitten. ‘Ik stond’, zegt hij zachtjes. ‘Ja’, zegt Gaya, ‘Je stond’. De meisjes staan bijna te dansen. Kleintje dans mee. ‘Nog een keer’, zegt Urgh. De meisjes gaan weer naast hem staan. Urgh slaat zijn armen om hun schouders en staat vol vertrouwen weer op.  Weer gaat hij via steunen op de meisjes naar steunen op zijn linkerbeen. Langzaam laat Gaya hem los en doet een stapje achteruit. Kleintje maakt van de gelegenheid gebruik om tegen Urgh op te springen. Zoveel enthousiasme kan Urgh’s linkerbeen niet aan. Hij wankelt en valt terug op de rand. Urgh haalt de wolf lachend aan. ‘Ik heb gestaan Kleintje. Zag je dat, ik kan weer staan.’  Urgh begraaft zijn gezicht in de vacht van de wolf en fluistert nogmaals ‘Ik heb gestaan. Staan is wel geen lopen, maar het is wel de eerste stap.’ Kleintje kwispelt dat het een lieve lust is.

Dan zegt Gaya: ‘Nog een keertje om kijken of je ook een pas kunt maken en dan gaan we terug naar het kamp om te eten.’ Steunend op zijn linkerbeen en de meisje probeert Urgh een stap naar  voren te hinkelen. De meisjes kreunen onder zijn gewicht maar het lukt Urgh om zijn linkervoet een halve voet naar voren te krijgen. ‘Nog een’, zegt Urgh maar Gaya schudt onverbiddelijk van nee. ‘Je hebt al zo veel gedaan vandaag. Je gaat nu op de rand zitten.’ Morgen oefenen we verder. En gaan we, nou ja jij, krukken maken.’ Teleurgesteld laat Urgh zich terug op de rand zakken, maar wanneer hij op handen en bullen terug schuift naar het kamp voelt hij hoe moe hij is. Hoe moe zijn armen zijn. Terug bij het kamp is hij blij dat hij buiten eten niets meer hoeft te doen. Na het eten valt Urgh van uitputting met zijn gezicht naar het vuur en Kleintje dicht tegen zich aan in slaap.

De drie vrouwen drinken nog een kop kruidenthee en dan is het ook voor hen tijd om te gaan slapen. ‘We hebben morgen een drukke dag voor de boeg’, zegt Gaya. ‘Een van jullie moet jagen en eten verzamelen, de ander moet naar het dorp lopen om de dorpswijze en Azel de vakman hier naar toe te halen. We hebben hun hulp nodig om de krukken te maken en om met Ugh terug naar het dorp te lopen’. Op aanwijzing van Gaya leggen de beide meisjes hun slaaprol achter de jager die deze lentenacht zonder slaaprol door moet brengen zodat hij een beetje uit de wind ligt. Daarna prepareert zij het vuur zo dat het de hele nacht warmte blijft geven en zoekt dan zelf ook haar slaaprol op.
En Kleintje? Ook hij doet zijn ogen dicht en gaat slapen. Maar hij houdt zijn oren wel gespitst. Je weet maar nooit.

11. Zijn eerste passen

Het is nog vroeg wanneer Urgh zijn ogen opent. Hij staart naar de lucht, de vreemde droom herbelevend. De droom waarin hij heeft gelopen. Een halve pas slechts, en geholpen door twee meisjes, maar toch was het lopen. Urgh gaat zitten en strekt zijn arm naar achteren om zijn slee bij te trekken. De slee is er niet. In plaats daarvan tikt hij Tas aan. Zich omdraiaend dringt tot Urgh door zijn droom geen droom was, maar werkelijkheid. Voorzichtig om niemand wakker te maken schuifelt hij bij het vuur vandaan op zoek naar een plekje voor zijn ochtendritueel. Wanneer hij een minuut of tien later terug het kamp in schuifelt zijn de drie vrouwen ook opgestaan. Gaya geeft Urgh en de meisjes wat te eten en zegt: ‘Dit zijn de plannen voor vandaag’. De jager en de meisjes kijken haar aan.

‘Pew gaat terug naar het dorp om Elm te vertellen wat er gisteren is gebeurt en om te vragen of hij samen met Azel hier naar toe kan komen. Ze moeten hun wapens, gereedschap, tenten en voedsel voor een paar dagen meenemen. Tas gaat jagen en eten verzamelen en Urgh en Kleintje gaan zwemmen.’ De meisjes knikken dat ze hun opdracht hebben begrepen. Urgh begint te pruttelen. ‘Zwemmen? Ik wil niet zwemmen, ik wil lopen. Bomen uitzoeken, kappen, krukken maken. En waarom moeten Elm en Azel hier naar toe komen? Ik kan het zelf wel.’ Medicijnvrouw kijkt hem lachend aan. ‘Gewone krukken kan jij wel maken, maar jij hebt niets aan standaard krukken. Die zijn goed voor mensen die een goed en een slecht been hebben. Jij hebt een slecht been en geen been. Elm en Azel gaan met ons meedenken over hoe we dit gaan oplossen. Verder moet jij dat linkerbeen van je sterker maken. En zwemmen is daarbij een perfect hulpmiddel’. Urgh kijkt bedenkelijk maar hij doet er het zwijgen toe.

De meisjes gaan zich voorbereiden op hun dagtaak. Pew haalt water voor hen beide en zit in het gras een eindje verderop iets bekends liggen. De prikstokken annex werpspiesen van Urgh. Snel gaat zij ze halen en neemt  ze mee naar het kamp. Urgh is blij om zijn stokken terug te hebben, zijn laatste aandenken aan de tijd dat hij een groot jager was. Ook Gaya is verheugd. ‘Nu kun je in het water lopen’, zegt zij, ‘Dan zijn dit voor nu even je krukken’.

Urgh en Gaya zwaaien de beide meisjes uit en gaan dan richting het water. Niet naar het punt waar Kleintje en Urgh in het water gevallen zijn, maar naar de plek waar Pew net water heeft gehaald. Een kleine baai met een zandstrand, net buiten het bereik van de sterke stroming. Langzaam kleedt Urgh zich uit en schuifelt het water in. Gisterenmiddag was hij te druk bezig met overleven, maar nu voelt hij pas goed hoe koud het water is. ‘K-k-k-k-koud’, zegt hij met klapperende tanden. ‘Je krijgt het vanzelf warm’, zegt Medicijnvrouw die haar tuniek omhoog gebonden heeft en een stukje mee het water in is gelopen, een stok in haar hand. Kleintje spettert vrolijk achter de twee mensen aan. ‘Gisteren zwom je vooral met je armen’, zegt Gaya.’Vandaag moet je vooral je benen gebruiken. Net zoals Kleintje zijn achterpoten gebruikt.’ Ze gooit de stok naar een dieper gedeelte en Kleintje zwemt er achteraan, waarbij hij zijn voor- en achterpoten evenredig veel gebruikt. ‘Zie je wat ik bedoel?’ Urgh knikt, draait zich op zijn buik en probeert de slag van Kleintje te imiteren. En dan begint zijn training.

Na een uur zwemmen in het koude water ziet de grote Mammoetjager blauw van de kou en laat Gaya hem uit het water komen. ‘Ga maar op mijn slaaprol in de zon rusten en opwarmen’, zegt zij. Dankbaar gaat Urgh liggen. Gaya loopt het kamp uit om noten te verzamelen. Urgh is zo moe dat hij bijna meteen in slaap valt. Een hele tijd later komt Gaya hem wakker maken. ‘Ben je er klaar voor?’, vraagt ze. ‘Dan gaan we weer verder’. Dit keer heeft Gaya geen stok voor Kleintje in haar hand, maar de werpspiesen van Urgh. ‘Zwem met de spiesen in je hand net zo ver de rivier in tot je op een punt komt waarbij je hoofd boven water komt en je voeten de grond raken’, zegt ze tegen Urgh, ‘Draai je dan mijn kant op.’ Gedwee doet Urgh wat er van hem gevraagd wordt. ‘Gebruik nu de spiesen als kruk, laat je rechterteen en de spiesen op de grond staan en verzet je linkerbeen.’ Weer doet Urgh wat er van hem gevraagd wordt. ‘Zet nu de krukken naar voren, naast je linkerbeen en trek je rechterbeen bij’.
Vier passen later voelt Urgh de kou van het water niet meer. Hij heeft het warm van inspanning en blijdschap. Hij loopt! Zonder de hulp van de meisjes. Met elke stap komt hij dichter bij het strand en verder uit het water waardoor elke stap zwaarder wordt. ‘Omdraaien’, roept Gaya wanneer het water tot halverwege zijn borst komt. Na tien keer draaien vindt Gaya  het genoeg geweest voor die dag. ‘Kom het water maar uit’, roept ze maar Urgh loopt nog een baantje extra. Wanneer hij weer op de slaaprol ligt voelt hij pas hoe moe hij is, maar dat deert hem niet. Hij heeft gelopen!

Urgh kan zijn geluk niet op. Natuurlijk zal hij nooit meer een groot jager worden altijd krukken nodig hebben maar alles is beter dan afhankelijk te zijn van het weer en anderen. Ondanks zijn vreugde en zijn over elkaar  tuimelende gedachten valt Urgh van vermoeidheid in slaap, zijn werpspiesen annex krukken dicht in de buurt. Wanneer Urgh wakker wordt hoort hij in de verte geluiden. Een mensenstem, dierengebrul, gegrom van Kleintje. Zonder na te denken pakt hij zijn spiesen en schuifelt naar het water. Hij heeft net de waterrand bereikt wanneer rechts van hem Medicijnvrouw zich losmaakt van het struikgewas en van een overhangende rots af in het water springt op de voet gevolgd door Kleintje. Terwijl Urgh achteruit het water in zwemt ziet hij het struikgewas weer wijken en er verschijnt een enorme holenleeuw die aan de rand van het water stil blijft staan, kijkend naar haar buit die net aan haar ontsnapt is.

12. Een koude nacht

IJsberend over de oever ziet de holenleeuw hoe de wolf, die een betere zwemmer is dan zij ooit zal worden, haar prooi inhaalt. ‘Misschien sleept de wolf de prooi wel mee naar de oever’, denkt zij, ‘Eens zien wie dan het grootste stuk te eten krijgt’. De wolf is ondertussen bij Gaya aangekomen die niet goed kan zwemmen en door de stroom meegetrokken wordt weg bij het kamp vandaan. Hij grijpt haar kleding vast om er voor te zorgen dat ze niet onder wordt getrokken. Urgh maakt gebruik van dezelfde stroming om hen beide snel in te halen. Eenmaal herenigd helpt hij de wolf de vrouw boven water te houden. Van zijn eigen rivier-avontuur weet hij nog dat er een klein stukje verder stroomafwaarts een zandbank in de rivier ligt, die moeten ze zien te bereiken. Aan wal gaan is geen optie. De holenleeuw volgt hen op de voet.

Eindelijk komt de zandbank in zicht en wolf en man duwen samen de vrouw die kant op. Met veel moeite krijgen ze eerst Gaya op de zandbank en daarna zijn zijzelf aan de beurt. Gaya ligt op haar rug maar haalt geen adem. Urgh weet even niet wat hij moet doen. Kleintje wel. Plomp springt hij bovenop de vrouw die een straaltje water uitspuugt. Hij springt nogmaals en weer spuugt zij water uit. Zo snel hij kan draait Urgh haar op haar zij en er volgt meer water, gevolgd door een hoestbui. Langzaam richt Gaya zich op en kijkt om zich heen. Zij wordt niet vrolijk van wat zij ziet. De zandbank is niet erg groot, er is nergens beschutting te vinden en zowel de jager als zij zijn kletsnat, het duurt nog zeker een nacht en een dag voor er hulp in de buurt is en de holenleeuw staat hen op te wachten. Bedrukt laat zij zich terug op de grond zakken en maakt de jager deelgenoot van haar gedachten.

Urgh is minder pessimistisch, heeft in zijn jagerstijd wel voor ‘hetere’ vuren gestaan. Hij trekt zijn bovenkleding uit en legt ze in de zon te drogen. Hij zegt Gayadit ook te doen, warm worden is nu belangrijk, zeker zonder vuur. Dan valt zijn oog op een stuk hout wat de zandbank voorbij drijft. Even later komt er weer een stuk hout aan. Hij schuifelt naar de rand van de zandbank en steekt zijn werpspies uit in de hoop het hout naar zich toe te kunnen trekken. Het lukt niet. Dan springt Kleintje in het water en gaat achter het hout aan. Terwijl de zon haar best doet de beide mensen te verwarmen wordt de stapel nat hout steeds groter. Maar ook nat hout kan je drogen weet Urgh die naar het stroomafwaartse deel van de zandbank schuifelt om te kijken of hij daar wellicht een vis kan vangen.
Wanneer de zon langzaam achter de bomen verdwijnt liggen er twee kleine vissen naast Urgh en is er voldoende hout opgevist voor een klein vuur wat de hele nacht kan branden om zo de ergste lente-kou te weren. Nu alleen nog vuur maken. Maar met de vuurstenen uit de buidel van Gaya moet dat geen probleem zijn.

13. Hereniging

Urgh heeft gelijk. Al snel brand er een klein, rokerig vuur. Urgh legt de twee kleine vissen naast het vuur om ze een beetje te garen. De geur van de vis en de rook waaien richting de holenleeuw die nog altijd aan de waterkant staat. Gayavolgt zijn blik. ‘Wat is beter’, vraagt zij de jager. ‘Dat dat beest daar nog staat wanneer Pew, Elm en Azel in het kamp arriveren, of dat hij door de bossen ronddwaalt?’. Urgh haalt zijn schouders op. ‘Beide is een ramp’, zegt hij. ‘Pew, Elm en Azel zijn geen partij voor een holenleeuw’. De jager valt even stil en zegt dan, ‘Misschien heeft de holenleeuw haar  wel gedood, en komt er nooit hulp. En waar zou onze kleine jaagster Tas zijn?’ Beide mensen doen er verder somber het zwijgen toe.

Een half uur later is het donker, zijn hun kleren droog genoeg om weer aan te trekken en zijn de vissen klaar om gegeten te worden. Na het eten valt Gaya in slaap. Aan de ene kant wordt zij verwarmd door het vuur, aan de andere kant door de wolf die dicht tegen haar aangekropen is. Urgh zit met zijn rug naar het vuur, zijn gezicht naar de rivierkant en doet zijn best om de holenleeuw te onderscheiden. Maar het is te donker. Na een paar uur peinzen en piekeren en in het donker staren valt ook de vermoeide jager in een onrustige slaap.

Bij het eerste ochtendgloren wordt Urgh wakker van een zacht gegrom van Kleintje. Urgh doet zijn ogen open en voelt de ochtendkou. Het vuur is bijna gedoofd. Dan hoort hij een geluid in het water. Kleintje gromt harder. Stram en stijf richt Urgh zich op en ziet de holenleeuw geholpen door de stroming hun kant op zwemmen. De schrik slaat hem om het hart. Gaya is ook wakker geworden van het geluid van Kleintje. ‘Wat nu?’, fluistert zij zachtjes. ‘Hier zijn wij niet tegen bestand’.

‘Rakel het vuur op’, zegt Urgh, terwijl hij zijn werpspiesen pakt. ‘Gooi er kleine stokjes op om het fel te laten branden en zorg dan dat die ene grote tak aan een kant gaat branden. Als de holenleeuw op de zandbank probeert te klimmen hinder ik haar met mijn spiesen, en jij met de brandende stok. Met een beetje geluk kunnen we haar zo verwonden dat zij ergens anders haar wonden gaat likken’. Kleintje ontbloot zijn tanden, alsof hij wil zeggen ‘En wat dacht je van deze jongens?’. Gespannen wachten de twee mensen en de wolf af. Het enorme dier komt gestaag dichterbij. Dan zegt Urgh ‘Tas en Pew zijn in ieder geval niet aan haar ten prooi gevallen. Dat een holenleeuw het water in gaat betekend dat zij honger heeft, al lange tijd niets meer gegeten heeft’. Deze troostrijke gedachten geeft Urgh en Gaya extra moed om te pogen de holenleeuw te verjagen.

De holenleeuw bereikt bij de zandbank en zoekt een plekje om er op te klimmen. Instinctief weet zij dat de jager de minst bewegelijke van de drie prooien is en zij probeer aan zijn kant uit het water te klimmen. Terwijl zij de eerste spies van de jager ontwijkt schampt de tweede spies haar rechtervoorpoot. Het deert haar niet. Gedreven door de honger en overtuigd van haar kracht haalt zij met haar voorklauw uit richting de jager die gesteund door een spies op een knie zit. Weer komt er een spies op haar af, ditmaal gericht op haar rechteroog. Terwijl zij de spies ontwijkt voelt zij ineens hoe de wolf op haar rug springt en met zijn scherpe tanden in haar nek begint te bijten. In een poging de wolf van zich af te schudden ziet zij de spies niet dit haar dit maal wel in haar oog treft. Zij brult het uit van de pijn en richt zich op daarmee het kleine beetje houvast wat zij op de zandbank had verliezend.. De wolf valt van haar rug en zwemt weg. Woest om zich heen slaand met haar klauwen probeert zij weer houvast te krijgen. Net wanneer het er op lijkt dat zij weer grip heeft landt er met onmenselijke kracht een branden de tak op haar kop. Even verdwijnt ze onder water. Wanneer ze bovenkomt landt de brandende tak nogmaals op haar kop. Even is zij versuft en dan wordt zij gegrepen door de snelle stroming die haar al klauwend om grommend meesleurt, weg bij haar prooi, haar aanvallers vandaan.

Terwijl de twee mensen op de zandbank nog maar nauwelijks kunnen geloven dat zij de holenleeuw verslagen hebben klimt Kleintje terug de zandbank op. Ineens horen de beide mensen een meisjesstem die hen vanaf de kant roept.  Wanneer ze de kant van de schreeuw uitkijken zien ze Tas staan, die vanaf de kant het gevecht met de holenleeuw heeft gade geslagen en nu uitbundig staat te zwaaien. Urgh en Gaya zwaaien beide enthousiast terug. ‘Kom terug naar de kant’, roept Tas. Urgh ligt al bijna in het water wanneer hij bedenkt dat Gaya geen sterke zwemster is. Zou zij het aandurven. Een blik op de angstige vrouw zegt hem voldoende. Zonder hulp krijgt hij Gaya niet aan de kant. Ineens krijgt hij een ingeving. ‘Tas’, roept hij naar de jaagster aan de waterkant, ‘Maak van gras een dik lang touw. Kleintje kan al zwemmend een kant van het touw hier naartoe brengen, de andere kant houdt jij vast. Op die manier kunnen we Gaya veilig aan de kant krijgen’.

Tas gaat meteen aan de slag om gras te plukken en te vlechten. Urgh roept Kleintje en verteld hem naar de jaagster te gaan. Om haar te beschermen en om het touw te halen. Het is al halverwege de middag wanneer Tas klaar is met het maken van een touw wat lang genoeg is om de afstand naar de zandbank te overbruggen. Met het touw stevig om haar middel gebonden en aan beide kanten ondersteund door een ervaren en sterke zwemmer begint Gaya aan de hachelijke tocht terug naar het land. Sneller dan verwacht bereiken ze rustiger water. Op aanwijzingen van Urgh loopt Tas rustig stroomopwaarts richting het kamp, net zoals Gaya hem slechts twee dagen eerder naar het kamp geleidt heeft. In de kleine baai aangekomen laten beide mensen zich door Tas uit het water helpen en vallen vermoeid op het strand neer al weet Urgh dat ze niet te lang kunnen en mogen rusten. Er moeten meer vuurplaatsen worden gemaakt zodat de drie mensen zich makkelijker kunnen verdedigen mochten er meer holenleeuwen of ander groot wild in de buurt zijn.

De zon gaat al weer onder wanneer de drie mensen en de wolf in een ring van vuur klaar zijn om te gaan eten. ‘En nu’, zegt Urgh, ‘Wil ik jouw verhaal graag horen Tas. Hoe ben jij de afgelopen dag en nacht doorgekomen?’. ‘Nouhou’, zegt Tas, en gaat er eens goed voor zitten. ‘Nadat ik afscheid van Pew en jullie had genomen ben ik gaan lopen, met de rivier aan mijn rechterkant…’.

14. Het verhaal van Tas

‘Ik moest een beetje tussen de brandnetels en de bramenstruiken door manoeuvreren maar met de rivier aan mijn rechterhand kon ik niet verdwalen. Ik zag diverse veldjes met groentes zoals wilde asparagus, wortelen en wat koolachtige dingen. Ik liep het allemaal voorbij met het idee op de terugweg van alles te plukken. Toen de zon op haar hoogtepunt was kwam ik bij een open plek vlak bij een grot aan. Ik zag allerlei keutels van dieren liggen, waaronder die van een beer. Hoewel het hele oude keutels waren, zeker van voor de vorige winter, dacht ik dat het toch beter was terug naar het kamp te gaan. Op de terugweg haalde ik met mijn slinger een eend  neer en op het veld hier het verst vandaan sneed ik wat kool af.

Het schemerde al toen ik bij het kamp kwam. Omdat ik jullie niet zag of hoorde en er ook nog geen vuur branden probeerde ik zo min mogelijk geluid te maken en bleef ik goed verscholen in de struiken. Toen zag ik die holenleeuw. Ik zette het bijna op een gillen en wilde wegrennen maar mijn benen wilde mij niet dragen. Dat is denk ik maar goed ook want anders had de holenleeuw mij opgemerkt. Nu gelukkig niet. Ik dacht aan wat Urgh ons geleerd heeft wat we moeten doen bij dieren-gevaar: In een hoge boom klimmen, en je daar stevig vastmaken zodat je er niet uit valt wanneer je er lang in moet blijven zitten. Ik liep een stukje van de open plek vandaan op zoek naar een hoge boom waar ik in zou kunnen schuilen. Gelukkig was de holenleeuw zo op jullie gespitst dat zij mij niet hoorde maar dat wist ik toen nog niet. Dat zag ik pas toen ik helemaal in de top van de boom aanbeland was. Ik was zo blij dat jullie nog leefde. Ik maakte mij stevig aan de boom vast en hoewel het koud was daar boven en die boom ben ik toch in slaap gevallen. Toen ik wakker werd zwom die holenleeuw jullie kant op. Ik heb nog geprobeerd wat stenen naar haar toe te slingeren maar zo vastgebonden in een boom slingeren valt niet mee. Ik maakte mij los en rende naar de waterkant en zo zag ik hoe jullie heel snel korte metten met haar maakte’.

Tas is even stil en zegt dan ‘Het leek mij trouwens wel een oud beestje voor zo ver ik dat kon zien in het schemerlicht. En ze leek mij gewond, ze mankte een beetje.’ Urgh knikt naar Tas en zegt dat zij dat goed gezien had. ‘Toen ze aan wal probeerde te klimmen zag ik dat zij nauwelijks tanden in haar bek had en ze was gewond aan een van haar voorpoten. Dat heeft Kleintje gedaan voordat hij samen met Gaya er als een speer vandoor ging. Een volwassen en gezonde holenleeuw hadden wij zonder goede wapens  niet zo gemakkelijk kunnen verslaan.’ Ook Urgh doet er even het zwijgen toe en zegt dan ‘Tas je hebt je kranig gehouden. Menig jonge jager had niet zo kalm en beheerst gehandeld.’ Tas glimt door de lovende woorden van de jager. Urgh aarzelt even en zegt dan ‘Ik ben trots op je’. Even lijkt het of hij meer wil zeggen, maar hij doet er verder het zwijgen toe.

Tijdens het verhaal van Tas hebben zij zich te goed gedaan aan de eend met wat kool uit de mand van Tas. Na het eten is het pikdonker en tijd om te gaan slapen. De vorige nacht heeft geen van de drie mensen echt goed geslapen. ‘Ik zal de eerste wacht nemen’, zegt Gaya ‘Ik heb vannacht nog het meeste geslapen en bovendien vermoed ik dat wanneer er gevaar dreigt, dat dat later op de nacht of zelfs aan het begin van de ochtend zal zijn’. Urgh en Tas zoeken beide een plekje aan de strandkant van het kamp., dicht bij het grote vuur. Urgh ligt aan de buitenkant, spiesen onder handbereik, rug naar het water. Kleintje kruipt tegen Urgh aan die dat wel lekker vindt aangezien Tas tussen hem en het vuur ligt. De jager en het meisje vallen beide al snel in een diepe slaap.

Er staan nauwelijks sterren aan de hemel en buiten de ring van vuur is het stikdonker. Gaya staart wat voor zich uit, gooit zo af en toe wat hout op een van de vuurtjes om ze gaande te houden. Wanneer zij het grote vuur wat oprakelt ziet zij de jager en het meisje even net als bij daglicht. Ze moet glimlachen, zoveel lijken die twee in hun slaap op elkaar. Zelfde houding, zelfde silhouet. Ze probeert de man van voor het ongeluk voor de geest te halen. Ze moet hem met de overige jagers hebben zien vertrekken, die keer dat zij op de voor hem zo fataal geworden jacht vertrokken. Zij was toen net in het dorp aangekomen, om door de oude Medicijnvrouw verder opgeleid te worden. Hoe ze haar herinneringen ook naspeurt, het lukt haar niet. Haar eerste ontmoeting met de nu lamme jager was een paar manen na zijn ongeluk, vlak nadat de oude medicijnvrouw ineens gestorven was. Als zij toen geweten had dat de Oude de benen van de jager niet gezet had, had zij misschien meer voor de jager kunnen doen, was de schade wellicht wat meer beperkt gebleven. Maar de Oude hield haar angstvallig bij de gewonde jager vandaan. Waarom eigenlijk?

Ineens realiseert zij zich dat tijdens haar korte studie bij de Oude de bloedlijn van de jager niet voorbij is gekomen. Zij weet dat Tas de dochter van de Oude en Tork, een van de jagers, is. Dat de Oude en Tork slechts een nog levend kind hebben, omdat de voorouders alle eerdere kinderen nog voor hun geboorte tot zich geroepen hebben. Zij kent de bloedlijn van Elm, de dorpswijze, van Azel de vakman, van iedereen in het dorp, behalve die van Urgh. Misschien is Urgh net als zij pas op latere leeftijd in het dorp gekomen bedenkt zij zich. Dat Urgh geen kind van  het dorp is, is duidelijk. Met zijn lichtbruine haren, lange ledematen, lichte ronde ogen, zijn rechte neus en de gewoonte om zijn gezichtsbeharing te verwijderen lijkt hij in niets op de gedrongen, donkerharige dorpelingen met een kromme neus en donkere amandelvormige ogen.

Rechte neus? Ronde ogen? Ineens weet zij wat zo vreemd is aan de twee gelijkende silhouetten. Tas heeft  niet alleen dezelfde rechte neus als Urgh, maar zij heeft ook ronde ogen, al zijn ze donker. Maar hoe kan dat? Medicijnvrouw piekert nog steeds over de treffende gelijkenis tussen jager en meisje wanneer zij, ver na middernacht, het meisje wakker maakt om haar deel van het waken op zich te nemen. Het duurt nog een hele tijd voordat zij in slaap valt.

15. Verhuizen

Wanneer Gaya wakker wordt is het al licht. En koud. De meeste vuren zijn uit. Alleen het grote vuur geeft nog wat warmte af. Wanneer zij zich opricht ziet zij dat bijna alle stenen die rond het vuur lagen daar weg zijn en nu aan de rand van de open plek liggen, aan de kant van de boom waar Tas zich de nacht ervoor verscholen heeft. Dan valt haar oog op de jager, die in de buurt van de plek waar hij vier dagen eerder in het water is gevallen, op zijn buik op de grond ligt. Wanneer ze zijn kant oploopt ziet ze dat hij met de vislijnen bezig is die hij daar toen uitgezet heeft. Naast hem liggen een paar dikke vissen.

‘Ah, je bent wakker’, begroet de jager haar zonder zijn ogen van de vislijn af te halen. Wanneer de lijn naar tevredenheid ligt draait hij zich op zijn zij en gaat zitten. Met een handgebaar richting een platte steen die vlak bij hem in het gras ligt nodigt hij haar uit hetzelfde te doen.  Terwijl zij aan zijn verzoek gehoor geeft vraagt zij of hij weet waar Tas is. ‘Op zoek naar een grote den hier in de buurt’, is het antwoord. ‘Een den?” vraagt Medicijnvrouw verwondert. Urgh glimlacht en zegt dan ‘Ja, een den. Tas bracht mij gisterenavond met haar verhaal op het idee om te gaan schuilen onder een grote den’. Wanneer Medicijnvrouw hem niet begrijpend aankijkt zegt Urgh, ‘Ik denk niet dat Pew vandaag met hulp uit het dorp komt. Het is maar de vraag of zij nog leeft, of zij weer in het dorp is, of er mannen zijn die met Elm en Azel mee deze kant op kunnen komen. Ze kunnen vandaag komen, morgen, of misschien pas over een maan. Tot die tijd moeten we beschutting hebben. De tent zat aan mijn slee vast, de nachten bij het vuur op de open plek zijn koud. Elke nacht zo veel vuren aanhouden kunnen we niet. En er komt sneeuw aan, of regen. Ik voel het water al in de wind en in mijn botten. We moeten schuilen en dan is een hooggelegen den, met lange, lage takken die tot op de grond komen perfect’.

De water in de wind had de Medicijnvrouw ook al gevoeld en diep in haar hart had zij zelf ook al bedacht dat het niet zeker was dat Pew nog in leven is. Ze zucht eens diep en vraagt de jager dan wat zij kan doen. ‘Hout sprokkelen en stenen verzamelen’, krijgt zij prompt als antwoord. We hebben vooral veel hout nodig want als het gaat sneeuwen of regenen moeten we dag en nacht een vuur hebben’. Voordat Medicijnvrouw kan vragen hoe hij dat gedacht had, een vuurtje onder een boom lopen Tas en Kleintje op hen af. Tas heeft een slinger met een steen er in in de aanslag. Wanneer Tas de vragende blik van Medicijnvrouw ziet zegt zij ‘Opdracht van Urgh. Dan ben ik geen makkelijke prooi’.

Dan wendt het meisje zich tot de jager en zegt: ‘Ik heb denk ik de perfecte boom gevonden. De stam is bijna net zo dik als mijn lijf, hij staat op een kleine verhoging, de grond onder de takken was droog en er groeit geen mos. Vlak bij de stam kan ik gewoon staan en als ik lig, met mijn voeten tegen de stam komt mijn hoofd nog niet bij de takken die op de grond hangen. Aan een kant zijn de takken wat dunner waardoor je makkelijk naar de schuilplek kunt. Gezien de hoeveelheid keutels barst het er van de konijnen en iets wat ook alleen maar gras eet maar grotere keutels maakt dan konijnen. En, ook belangrijk, wanneer je voor de boom staat kan je deze plek zien. Da’s handig voor wanneer onze dorpsgenoten hier naartoe komen’. Het meisje is even stil en zegt dan ‘Ik denk alleen niet dat jij je daar makkelijk kunt bewegen want de grond is heel oneffen en er staan veel lage struiken en helmgras.

Even trekt er een schaduw over het gezicht van de jager en dan zegt hij ‘Blijven leven is nu belangrijker dan bewegen en ik durf er niet van uit te gaan dat de Voorouders mij nog steeds niet willen ontvangen’. Hij schud zijn hoofd, om de gedachten aan de Voorouders van zich af te schudden en gaat weer over tot de orde van de dag. Hij legt Tas en Gaya uit hoe ze de vislijnen weer uit kunnen zetten nadat de vis er vanaf is gehaald.

De rest van de dag zijn de drie mensen druk bezig met het sprokkelen van hout, het verslepen van stenen en het inrichten van de hut. Dit laatste komt vooral op Urgh neer. Hij weet vanuit zijn jagerstijd het beste wat er moet gebeuren. Van de stenen bouwt hij een waterkering net tegen de onderste takken aan. Bij de plek waar de ingang moet komen maakt hij een gang van stenen waardoor de takken daar iets van de grond komen. Hij legt Tas uit hoe zij een van die takken nog verder op kan binden zodat de doorgang makkelijker begaanbaar wordt.

Hierna gaat hij met de vuurplaats aan de slag. Die komt dicht bij de stam. Op een wortelvrij punt graaft hij met de bijl van Tas een arms-diepe en arm -brede kuil. De bodem van de kuil bedekt hij met stenen en hij zet ook wat grote stenen tegen de rand van de kuil. Op de grond wordt de hele kuil omringd door stenen, twee rijen hoog. Met een grote, platte steen dekt hij een deel, het dichtst bij de stam, van de kuil af. Dan is het tijd om het hout klein te gaan maken zodat het in de kuil past. Al snel brandt er een klein maar warm vuur wat weinig rook geeft in de kuil.

Wanneer het begint te schemeren hangen de voorraden in de mand van Tas aan een hoge tak, staat de mand van Gaya gevuld met water bij de ingang, liggen de slaaprollen van beide vrouwen over de grond uitgespreid, ligt er een vis te garen op de rand van de vuurkuil en staat er een bak soep op de steen te garen. Op de plek aan het water verraden alleen de resten van het vuur dat er  daar ooit mensen zijn geweest.

Weer een dag hard werken, in combinatie met de warmte in de hut en hun volle magen maakt dat de drie mensen al snel in slaap vallen, er op vertrouwend dat de wolf, die een plekje dicht bij de ingang heeft gezocht, hen tijdig voor dreigend gevaar waarschuwt.

16. Het raadsel wordt groter

De zon komt net op wanneer Urgh wakker wordt met de geur en koude van verse sneeuw in zijn neus. Voorzichtig, om de beide vrouwen niet wakker te maken schuift hij naar de ingang en licht, door ervaring wijs geworden, de takken voorzichtig op om te voorkomen dat hij een partij verse sneeuw in zijn nek krijgt. Tot zijn blijdschap is er maar een klein beetje sneeuw gevallen. Zo weinig dat je er tussen de bomen niets van merkt en het op de lager gelegen delen van het land zo weg zal zijn wannee de zon gaat schijnen. Op handen en een knie gaat hij op zoek naar een geschikt plekje voor zijn ochtendritueel om even later tevreden terug de warmte in de den te kruipen.

Binnen port hij het vuur wat op, voegt er wat hout aan toe en zet een bak met water op de steen zodat ze straks iets warms te drinken hebben. Wanneer hij over zijn gezicht wrijft voelt hij de langer wordende baardharen in zijn gezicht. Nu het scherpe mes wat hij altijd gebruikt om die haren weg te halen op de bodem van de rivier ligt zit er niets anders op dan het te laten groeien. Hij krabt en zucht eens terwijl hij de takken bij de ingang weer opzij duwt en in de opening gaat zitten, zijn ogen gericht op het oude, onder een dun laagje sneeuw bedekte, lager gelegen kamp.

De eerste die zich langs hem heen wurmt op weg naar buiten is Kleintje, even later gevolgd door Tas. Wanneer Gaya kenbaar maakt dat ook zij er langs wil schuift hij wat aan de kant. Een half uur later genieten de drie mensen in stilte van een kop kruidenthee. Het is Tas die als eerste de stilte verbreekt en vraagt ‘Urgh, wat moeten we vandaag doen?’. De jager hoeft niet lang na te denken. ‘Watervoorraad aanvullen, vislijnen ocntroleren, strikken zetten om konijnen te vangen, hout sprokkelen voor het vuur, meer groenten en kruiden zoeken, wilgentenen verzamelen om manden en windschermen van te maken, vuurstenen zoeken’, somt hij op. Wanneer beide vrouwen kreunen voegt hij er aan toe ‘Maar dat kan en hoeft niet allemaal op een dag. Voldoende water en hout is voor nu het belangrijkste’.

Nadat beide vrouwen de beschutting van de den verlaten hebben om water te halen schuift/kruipt Urgh met de kleine bijl van Gaya in zijn hand richting een mensdikke omgevallen boom. Daar wil hij een stuk van hebben om een bak van te maken waarin gekookt kan worden. In de buurt van de omgevallen boom staan twee jonge, polsdikke loten. Hij bekijkt ze goed. Zouden die lang genoeg zijn om als kruk dienst te doen? Hij schud zijn hoofd. Eerst zorgen voor voldoende spullen om het koude deel van de lente te overleven, daarna komen de krukken aan de beurt.

Wanneer hij met het blok hout terug bij de schuilplek komt is de watervoorraad aangevuld, hangen er drie vissen aan de tak, ligt er een grote vuursteen onder de vissen en zijn beide vrouwen in geen velden of wegen te bekennen. Ught maakt de vissen schoon en legt ze op de stenen rand rondom het vuur om te drogen. De kop en de ingewanden legt hij een eindje bij de hut vandaan neer. Daar zal Kleintje straks wel korte metten mee maken maar hij realiseert zich dat ze wel een plek moeten kiezen waar ze hun afval gaan verzamelen.

Urgh schuift het hout naar binnen en gaat dan met Gaya’s bijl en de vuursteen voor de den zitten. Hij bekijkt de grote vuursteen van alle kanten, voelt, klopt, draait en voelt en klopt nog meer. Dan leg hij de steen op de grond, tussen een hand en zijn gezonde voet geklemd terwijl hij Gaya’s bijl in de ander hand neemt. Met een goed gerichte klap splijt hij de vuursteen in tweeën. Er springen ook wat scherpe splinters vanaf. Die legt hij voorzichtig aan de kant. Daar kan hij misschien een naald of een priem van maken. Maar nu heeft hij eerst een mes nodig.

De zon is al een uur of wat over haar hoogtepunt heen wanneer beide vrouwen bij de schuilplek terug komen. De omslagtas van Gaya puilt uit van de groenten en in haar hand heeft zij een grote bundel wilgentenen. Tas heeft twee met konijn gevulde strikken in haar ene hand. In haar andere hand heeft zij haar slinger, precies zoals Urgh haar opgedragen heeft. De vrouwen zien het houtblok, de gekliefde vuursteen, de scherpe splinters, een nieuwe bijl , een paar nieuwe strikken, de werpspiesen maar geen jager. Tas kijkt speurend rond en ziet dan een schuif/kruipspoor richting de oude vuurplaats. Er brandt een klein vuur in. Naast het vuur ligt de bovenkleding van Urgh uitgespreid. Urgh zelf zit aan de waterkant, gedeeltelijk in het water. Kleintje staat naast hem.

Tas pakt haar slinger en een van de werpspiesen van de jager, Gaya pakt de andere spies. Samen lopen beide vrouwen naar de oude vuurplaats om te zien wat de jager aan het doen is. Als de jager hun voetstappen hoort draait hij zich gedeeltelijk om. De ene helft van zijn gezicht is geschoren, de andere helft zit onder het schuim. ‘Er is genoeg schuimas als jullie jezelf of je kleding ook willen wassen’, zegt hij, alvorens verder te gaan met scheren. ‘Schuimas?’, vraagt Gaya, ‘Hoe weet een jager nu iets van schuimas? Wie ben jij Urgh? Wat ben jij Urgh?’.

Urgh doet er het zwijgen toe. Wanneer Gaya haar vraag wil herhalen schudt Urgh met en snelle blik op Tas, die net met een stuk schuimas de rivier in loopt, van nee. Zijn mond vormt het woord ‘later’. Wanneer Gaya beseft dat de jager verder niets meer gaat zeggen volgt zij het voorbeeld van het meisje, pakt een stuk schuimas, trekt haar kleding uit, loopt het koude water in en begint zich te wassen in de wetenschap dat het raadsel omtrent de lamme jager alleen maar groter is geworden.

17. Urgh's verhaal

Een half uur later is iedereen fris gewassen en wordt het tijd terug naar de schuilplek te gaan. Tas draagt naast haar eigen natte kleding ook de nog vochtige kleding van Urgh. Terug bij de schuilplek hangt zij haar de kleding in de buurt van het vuur op. Urgh trekt die van hem weer aan. Met zijn slee is ook zijn extra set kleding verdwenen. Urgh pakt zijn nieuwe bijl en het houtblok en begint zwijgend het hart weg te hakken. Tas gaat bij de wilgentakken zitten en begint deze uit te zoeken. Gaya vilt buiten de konijnen. In tegenstelling tot de eerdere dagen gooit zij de huiden niet weg, en ook krijgt Kleintje de hersenen dit keer niet. De huiden legt zij op de den, de konijnenschedels met de hersenen er nog in neemt zij mee naar binnen. Daar pakt zij twee bakken, een grote en een kleine die zij beide vult met water. In de grootste doet zij de in stukken gesneden konijn met wat kruiden en zet de bak op de steen boven het vuur. De hersenen gaan, samen met wat water in de kleinste bak. ‘Wat ga je met die hersenen doen?’, vraagt Tas. ‘Dat hoeven we toch niet te eten hé?’ Urgh begint te grinniken. ‘Ik denk dat Gaya dat gaat gebruiken om de konijnenhuiden te prepareren’, zegt hij dan, ‘Zodat ze gebruikt kunnen worden zonder dat ze gaan stinken of rotten’. 

Weer kijkt Gaya hem scherp aan maar houdt verder haar mond. Tas ziet de blik en zegt dan ‘Urgh is natuurlijk wel het kind van een medicijnvrouw en woont al zijn hele leven aan de vuurplaats van de onze dorpswijze, de oude dorpswijze Ergh en zijn vrouw Nana, de Oudste der Medicijnvrouwen. Nu is het de beurt van Urgh om verbaasd te kijken. ‘Wie heeft jou dit verteld?’, vraagt hij het meisje. ‘Tork?’. Zijn stem klinkt vol ongeloof. Het meisje schudt van nee. ‘Nee, Tork vindt het maar niets dat jij mij en de andere meisjes heeft leren vissen en jagen. Bovendien vindt hij dat wij te veel tijd met jou doorbrengen. “Dadelijk haalt hij zich wat in zijn hoofd over al die vrouwelijke aandacht”, zei Tork tegen Nana, waar ik bij was. Toen werd Nana boos en zei dat Urgh zich ten opzichten van vrouwen nooit misdragen heeft. “Bovendien’, zei Nana toen, “Is Urgh zich, in tegenstelling tot zijn vader, wel bewust van het belang van bloedlijnen en weet hij dat Tas zijn halfzusje is. Dus Tork, waar maak jij je zorgen over? Ben je bang dat je dochter zich beter kan verweren dan haar moeder ooit kon?”. Daar wist Tork weinig op te zeggen. Maar zodoende weet ik dus dat Urgh mijn halfbroer is’, eindigt Tas haar verhaal.

‘Dat verklaart de gelijkenis in lichaamsbouw, neus vorm van de oog’, zegt Gaya, ‘Maar nu snap ik er nog minder van. Als jij het kind van de Oude bent, waarom woon jij dan niet bij Tork aan het vuur? Waarom heeft Tork zo’n hekel aan jou?’.

Urgh twijfelt nog, kijkt van zijn halfzusje naar Gaya. Beide vrouwen kijken hem vragend aan. Dan begint hij te vertellen.

Een tiental generaties geleden werd ons dorp geleid door een dorpswijze die een medicijnvrouw als vuurpartner had. Het aantal niet levensvatbare en eeuwig kind kinderen was in die tijd groot, vooral binnen de gezinnen die niet buiten hun eigen vuurplaats naar een partner zochten. De dorpswijze en zijn partner bedachten dat het beter voor het dorp zou zijn wanneer de jonge mannen en vrouwen van het dorp hun partner buiten hun eigen vuurplaats en zelfs buiten het dorp zouden zoeken.

Tijdens de eerstvolgende Grote Bijeenkomst, waarin bewoners van vele dorpen uit de verre verre omtrek bij elkaar kwamen bespraken zij hun ideeën met de overige dorpswijzen en medicijnvrouwen. Zij stonden niet alleen in hun observaties en conclusies. Daarbij hadden een paar medicijnvrouwen van verafgelegen dorpen bedenkingen bij het op zeer jonge leeftijd krijgen van kinderen. De sterfte onder kraamvrouwen die nog maar net van meisje vrouw waren geworden lag veel hoger dan de sterfte onder de wat oudere vrouwen. Er werden regels bedacht over de afstand van verwantschap tussen nieuwe partners. Er werd besloten dat een meisje zeker drie jaar vrouw moest zijn voordat zij een partner kreeg en er werd een afspraak gemaakt over het tijdstip van overstappen door een vrouw van de ene vuurplaats naar de andere en wel tijdens haar maanstonde.

Niet alle dorpswijzen en medicijnvrouwen stonden achter de nieuwe regels genaamd Bloedlijnen. Niet elke dorpeling van de deelnemende dorpen wilde volgens de nieuwe regels gaan leven. Het duurde zeker zes generaties voordat de regels door de meeste mensen werden toegepast. Na die zes generaties wist elk kind standaard de bloedlijn van zowel hun moeder als hun vader te de tweede graad te benoemen. 
Zoals gezegd deden niet alle dorpen aan de nieuwe regels mee. Ook het dorp van mijn voorouders van moeders kant was zo’n dorp en op zekere dag liep een van hun medicijnvrouwen samen met haar man weg en arriveerde na vele omzwervingen in ons dorp. Deze medicijnvrouw is de overgrootmoeder van Nana. Ondanks dat ze beide er heel anders uitzagen dan de bewoners van ons dorp werden ze in het dorp welkom geheten. Zij ging samenwerken met de toenmalige medicijnvrouw, hij ging met de jagers mee op jacht. Zij kregen slechts een kind, een meisje wat net als haar ouders hele lichte haren had, ronde groene ogen en langer werd dan de meeste mannen van het dorp. Ook zij werd medicijnvrouw en toen zij volwassen werd deelde zij de vuurplaats met een van de jagers van het dorp. Samen kregen zij een dochter. Het meisje had lichter haar dan de rest van de dorpelingen (maar niet zo licht als dat van haar moeder, vader en grootmoeder) ronde ogen en een rechte neus. Dit meisje was net zo groot als menig man. 

Nana is het kind van dit meisje en haar vuurplaatspartner. Nana werd medicijnvrouw en verhuisde toen zij daar de leeftijd voor had werd zij de vuurpartner van Ergh, de zoon van de toenmalige dorpswijze. In tegenstelling tot haar voormoeders kreeg Nana twee kinderen. Eerst een meisje Onna genaamd en 10 winters later een jongen Elm. Omdat Nana de jongen nog zoogde bleef zij met nog wat dorpsgenoten achter terwijl haar vuurpartner, die ondertussen de plek als dorpswijze van zijn vader had overgenomen, samen met de rest van het dorp naar de Grote Bijeenkomst gingen. 
Net als haar voorouders was Onna lang voor haar leeftijd en leek daardoor ouder dan haar elf winters. 

Op dit punt in het verhaal aangekomen valt Urgh stil, alsof hij zijn gedachten wil ordenen.

18. Antwoorden en een nieuwe vraag

Al snel had zij een ‘aanbidder’ en Ergh werd door de vaders van jongeling benadert of zijn dochter niet met hun mee naar hun vuurplaats kon reizen. Argh weigerde dit. Zijn dochter was te jong. Bovendien behoorde de jongeling tot de voormalige stam van zijn vrouw’s voorouders. Een stam die niet aan bloedlijnen deed. Wie weet was die jongeling wel familie van zijn vrouw en dochter. Ook al zou het qua generaties een veilige bloedband zijn, Ergh wilde er niet van weten. Onna kon niet anders dan zich bij zijn beslissing neer leggen.

De dag na de weigering van haar aanbidder ging Onna samen met nog wat meisjes uit naburige tijdelijke kampen naar een medicijnvrouwen bijeenkomst in het hoofdkamp. Op de weg terug van die bijeenkomst werden de meisjes opgewacht door een aantal jongemannen, waaronder Onna’s aanbidder.  De vreugde van Onna en de andere meisjes bij het zien van al die knappe jongens veranderde al snel in ontzetting toen bleek dat de jongens besloten hadden dat te pakken wat ze niet konden krijgen. Zo werd Onna verkracht door de man van haar dromen. 

De ontredderde meisjes werden gevonden door de medicijnvrouw van een naburig kamp. De diverse ouders en dorpswijze werden gewaarschuwd terwijl de medicijnvrouw aan de slag ging om een medicijn te maken om te voorkomen dat een van de meisjes zwanger zou worden van haar verkrachter. Nog diezelfde dag brak Ergh het kamp op en vertrok met alle dorpelingen en zijn dochter naar huis.
Of het drankje van de medicijnvrouw was te zwak of mijn wil om te leven was te groot. Dik 9 manen na de reis werd ik geboren. Het was een zware bevalling en Nana had al haar kennis als Medicijnvrouw nodig om Onna en mij te redden maar na die zware bevalling was Onna te ziek om mij te zogen. Dat deed Nana. Zo werd Elm mijn melkbroeder. Ik groeide voorspoedig en al snel werd duidelijk dat ik in niets op de dorpelingen leek. Ik was groter dan de andere kinderen die in die tijd werden geboren, had lichte haren en groene ogen. Het evenbeeld van mijn vader. 

Een jaar of zes na mijn geboorte verhuisde moeder naar de vuurplaats van Tork en jong en ambitieus jager. Mij liet zij als een boze herinnering bij haar ouders achter. Toen ik twaalf winters was, was Onna voor de derde maal na mijn geboorte zwanger. De eerste twee kinderen, jongetjes, hadden de bevalling niet overleefd. Volgens moeder kwam dat door mijn aanwezigheid in het dorp en daarom werd ik rond de geplande bevallingstijd van dit kind met de jagers meegestuurd. Volgens Onna werkte dat want Tas werd geboren en bleef leven. Ik ging na die keer, ondanks protesten van Nana dat ik te jong was, met bijna elke jacht mee. Het was een harde tijd, een zware leerschool, maar ik leerde snel en was al snel een van de beste jagers. Misschien wel de beste.  De meeste jager waren blij met mijn aanwezigheid. Nana had mij het een en ander over kruiden geleerd en zij had mij geleerd hoe ik gebroken botten kon zetten.

Tijdens mijn voorlaatste jacht ging er iets fout en Zan de broer van Tork, raakte zwaar gewond. Terwijl de rest van de mannen met de buit terug naar het dorp ginge bleef ik met hem in een schuilplek achter. Ik verzorgde zijn wonden en toen de jagers twee manen later terug kwamen was Zan ver genoeg opgeknapt om samen met mij en de jagers mee te gaan jagen. Het duurde even voordat we de mammoeten vonden. Het dier wat Tork uitzocht om te doden was een jonge stier. Jonge stieren zijn onbetrouwbaar in hun gedraag maar het vlees is het lekkerst. Tijdens het gevecht met de stier braken ineens de koorden van mijn beenbedekking. Ik struikelde, probeerde op te staan maar in het heetst van de strijd werd ik door Tork omver gelopen. En toen viel die Mammoet mijn kant op en werd ik door het beest in zijn doodstrijd geplet. 

Toen ik onder de mammoet vandaan getrokken werd wist ik dat het fout was. Ik had zo veel botten gebroken, dat kon nooit meer goed komen. Vooral mijn rechterbeen was een ramp. Zan en Tak probeerde met mijn aanwijzingen nog wel mijn linkerbeen te zetten maar hij werd ziek van hoe mijn rechterbeen er uit zag. Daarom volgde hij mijn instructies op en liet mij ingebakerd op de draagbaar vastmaken. Iedereen ging er van uit dat ik zou sterven, zo ook ik.. Tijdens de reis naar huis zorgde Zan voor mij, gaf mij mijn eigen kruidenthee te drinken. Tegen de tijd dat we in het dorp aankwamen was ik al een dag of zeven niet meer bij kennis geweest. De rest weten jullie. Elm wilde mijn geest naar de Voorouders begeleiden, die weigerde mij tot hun toe te laten en dankzij de Nana en Onna bleef ik in leven. Alleen mijn benen konden mij niet meer dragen. En hoeveel kennis Nana ook van botten heeft… zij zag het niet zitten om die zeven breuken in mijn rechterbeen opnieuw te breken, als haar dat na 16 nachten nog zou lukken’.

De stilte die volgt op het verhaal van Urgh hangt in de lucht. De drie mensen zijn in gedachten verzonken. Beide vrouwen overdenken wat zij gehoord hebben, hebben nog vragen. Dan schudt Urgh zijn hoofd, alsof hij de gedachten aan zijn lopend leven wil wegjagen en zegt ‘En wat is jouw verhaal Gaya? Waar kom jij vandaan en waarom woon jij nu bij ons’?

19. Gaya's geschiedenis

De vrouw kijkt de man verbaasd aan en zegt dan hakkelend, ‘Mijn verhaal? Wil je mijn verhaal horen?’ Ze slikt even. Urgh knikt haar vriendelijke toe en zegt dan ‘Gaya, Tas, wat denken jullie er van. Zullen we eerst wat te eten pakken’? Nog voor Gaya kan antwoorden staat Tas op en schept snel drie etenskommen vol en deelt deze rond. Dan gaat zij tevreden zitten, klaar om aan te vallen. Urgh zegt grinnikend ‘Het is maar goed dat je zelf ook kunt jagen, want tegen jouw eetlust is door een man niet op te jagen’.  Het antwoord van Tas is kort maar krachtig: Tussen twee happen door steekt zij haar tong uit naar de jager.  Dan schrikt zij van haar eigen vrijpostigheid. ‘Sorry’, mompelt Tas, maar Urgh haalt zijn schouders op en lacht haar vrolijk toe, blij als hij is dat dat ene grote geheim wat zo zwaar op hem drukte geen geheim meer is.

De ‘kennismaking’ tussen broer en zus gaat gedeeltelijk aan Gaya voorbij. In gedachten verzonken eet zij haar kom leeg en denkt terug aan de tijd dat zij nog een broer en zussen had, ouders, ooms, tantes, grootouders, dorpsgenoten. Na het eten doet Tas de afwas en gaat extra water halen zodat de watermand weer helemaal gevuld is. Gezeten op een steen in de buurt van de den houdt Urgh haar in het zicht, slinger in zijn hand. Na het vertellen van zijn verhaal realiseert hij zich meer dan voorheen dat de twee vrouwen en hij niet alleen op moeten passen voor de wilde dieren, maar ook voor eventuele mensen die hun kampplaats aan doen. Gelukkig is Kleintje altijd waaks.

Als Urgh en Tas zich weer onder de den terugtrekken zit Gaya nog steeds wat voor zich uit te staren. Tas wil wat zeggen maar Urgh schudt zijn hoofd en maakt een gebaar van ‘laat haar maar’. Als geen ander weet Urgh hoe zwaar het verleden op een mens kunnen drukken, wat het met mensen doet. Tas zet een kom met water en wat kruiden op de vuursteen en gaat zitten wachten tot het kookt. Ineens begint Gaya te praten.

‘Ik ben de vierde dochter van een Medicijnvrouw en net als mijn drie zussen had ik hetzelfde talent als moeder. Moeder wilde mij en mijn twee jaar oudere zus eigenlijk niet trainen. Twee medicijnvrouwen per dorp is meer dan genoeg. Ons trainen zou betekenen dat ze afstand van ons zou moeten doen als wij eenmaal de leeftijd hadden dat we zelfstandig konden gaan werken. Maar ja, wanneer je aan een vuur woont met een medicijnvrouw die leerlingen opleidt pik je vanzelf van alles op. Hierbij kijkt Gaya broer en zus even aan, die beide opgegroeid zijn aan een vuur met een medicijnvrouw en meteen begrijpen wat zij bedoelt.

Ons dorp was welvarend en we groeide en groeide net als een van onze buurdorpen. De beide dorpswijze kwamen bijeen en besloten dat het tijd werd dat er een derde dorp kwam zodat de verzamel- en jaaglasten wat eerlijker werden verdeeld.  Beide dorpen leverde 3 vuurplaatsen. Ons dorp leverde een medicijnvrouw, het andere dorp een dorpswijze. Zij gingen in een grottenstelsen op bijna een dag lopen van ons dorp wonen. Mijn oudste zus nam mij mee als haar medicijnvrouw in opleiding. 

Toen wij ongeveer vijf winters in de grotten woonde brak er net voor de winter een ziekte uit. Eerst werden de oudste, zwakste en kleinste ziek, kregen hoge koorts, moesten hoesten, kregen het benauwd, hoestte bloed op en stierven. De eerste volwassenen en oudere kinderen waren ondertussen ook ziek geworden. Mijn zus en ik deden wat we konden, maar we konden niet genoeg. De ene na de andere dorpsgenoot overleed. Toen werd mijn zus ziek en stond ik er alleen voor. Net toen ik het niet meer verwachtte toonde een van de jongelingen tekenen van herstel. Er volgde nog een vrouw die het redden en toen stortte ik in. Ook ik had de ziekte gekregen. 

Na vele nachten met hoge koorts bleek ik een van de weinige te zijn die de ziekte ging overleven. Een maan na het eerste ziektegeval leefde er nog net genoeg mensen voor een vuurplaats. De meeste overlevenden hadden hun oorsprong in het andere dorp. We hadden nog een maan tijd nodig om sterk genoeg te worden om terug te keren naar onze dorpen. Met mijn overgebleven dorpsgenoten trok ik naar ons oude dorp. Daar bleek niemand meer in leven te zijn. We trokken door naar het andere dorp. Ook daar waren de verliezen groot maar niet zo groot als in de twee andere dorpen. Ongeveer de helft van de vuren branden nog. Die winter was een zware, koude winter die zijn tol eiste onder de overlevende van de ziekte. Toen de lente kwam branden er nog slechts twee vuren. Te weinig om te overleven. Wij moesten op zoek naar een dorp wat genegen was ons op te nemen.

Die zomer was er een Grote Bijeenkomst. Als medicijnvrouw deed ik ons verhaal voor de vergadering van dorpswijzen en medicijnvrouwen en al snel konden wij uit diverse dorpen kiezen. Tenminste de jagers. Goede jagers zijn in elk dorp welkom, maar geen enkel dorp leek plaats te hebben voor een medicijnvrouw in opleiding onder wiens handen zo ongeveer een heel dorp gestorven was. Ik was daarom ook zeer verbaasd toen op een dag Nana mij kwamen vragen mee te gaan naar hun dorp. Nana vertelde mij dat er op dit moment twee medicijnvrouwen in haar dorp waren, haar dochter en zij, en dat er zij sinds kort een meisje in opleiding had maar, zei zij, ‘ik heb een visioen gehad waarin ons dorp rouwde om haar medicijnvrouw dus ik ga er van uit dat ik niet lang meer te leven heb’.

Zo ben ik in jullie dorp terecht gekomen. Nana regelde voor mij een plekje aan de vuurplaats van Azel en Yali zijn vrouw, in afwachting van haar overlijden en mijn verhuizing naar de vuurplaats van de dorpswijze. Zoals jullie weten was het niet Nana, maar Onna, haar dochter die kwam te overlijden’. Gaya kijkt haar  beide toehoorders aan en zegt dan ‘Ik mis mijn familie en dorpsgenoten zo’.

20. Regen

Tijdens de stilte die volgt op haar verhaal schept Tas drie kommen kruidenthee in en deelt deze uit. Zwijgend drinken de drie mensen hun thee. Het is Urgh die de stilte doorbreekt, naar de vrouw toe schuifelt, een arm om haar heen slaat en zegt: ‘Gaya, het spijt me dat ik er naar gevraagd heb, dat je door mij de pijn weer doormaakt van iedereen die je lief is te verliezen’. De vrouw kijkt hem aan, wil zijn arm wegduwen maar ziet de blik in de ogen van de jager en begint te huilen. De jager weet even niet wat te doen maar dan zegt Tas ‘Houdt haar stevig vast Urgh, ben er voor haar. Laat haar huilen’.
Aarzelend doet de jager wat zijn kleine zus hem opdraagt. Hij slaat twee armen om de huilende vrouw heen en laat haar tegen zijn schouder huilen. Onhandig klopt hij haar troostend op haar rug. Het heftige snikken van Gaya gaat over in zachtjes snikken en uiteindelijk valt zij van uitputting tegen de schouder van de jager in slaap. Voorzichtig en gehinderd door twee benen die niet echt mee willen werken legt de jager de vrouw zonder haar los te laten voorzichtig op de grond. Tas dempt het vuur, legt de slaaprol van Gaya over de jager en de vrouw heen en pakt dan haar eigen slaaprol.  Kleintje neemt zijn plaats bij de ingang in. Al snel slapen ook de jager en het meisje en wordt de stilte van de nacht slechts af en toe doorbroken door een zachte snik van Gaya.

Wanneer de jager wakker wordt ligt Gaya nog steeds in zijn armen, haar haren kriebelen in zijn gezicht. Voorzichtig, om haar niet wakker te maken trekt hij zijn arm onder haar vandaan, legt de slaaprol goed over haar heen en kruipt voorzichtig de den uit, naar buiten, de regen in. Kleintje volgt hem op de voet.

Net als gisteren met de sneeuw valt de regen tussen de bomen wel mee, maar buiten de boomlijn is duidelijk te zien dat het hard regent. Urgh kijkt naar de wolken. Die zijn grijs zo ver hij kan zien. Dat voorspelt weinig goeds weet hij. Na zijn ochtendritueel kruipt hij terug de den in, trekt zijn tuniek uit om het droog te houden en pakt zijn bijl. Hij kruipt/schuift naar dezelfde plek waar hij gisteren ook hout heeft gehaald voor een kom. Hij kapt nog een stuk van de boom om een kom uit te maken en maakt dan korte metten met de twee jonge loten.

Het blok hout voor zich uit duwend kruipt hij terug naar de den. Tas is ondertussen ook wakker geworden en rakelt het vuur wat op voor de ochtendthee. Urgh vraagt haar de twee loten te gaan halen en naast de den te leggen. ‘Misschien dat je straks na de ochtendthee nog wat brandhout kunt sprokkelen’, voegt hij er aan toe. Hij laat zijn blik even over de plek waar de vislijnen liggen gaan.  Tas volgt zijn blik en slikt. ‘Moet ik..?’, vraagt ze met duidelijke tegenzin. ‘Misschien later op de dag, als het droog is’, antwoord  Urgh, ‘Voor nu hebben we eten genoeg en weinig ruimte om veel te bewaren’. Opgelucht gaat Tas de twee boomloten halen, terwijl Urgh onder de den kruipt en zijn shirt weer aandoet.

Net wanneer Gaya wakker wordt kruipt ook Tas weer onder de takken door die als ingang dienst doen. Even later zitten de drie mensen aan de warme thee. ‘Wat staat er voor vandaag op het programma?’, vraagt Gaya. ‘Binnen klusjes’, is het antwoord. ‘Het is niet echt weer om veel en lang buiten te zijn. Wel hebben we extra brandhout nodig’. Gaya verlaat de den even voor haar ochtendritueel en kan niet anders dan het met de jager eens zijn.

Na de ochtendthee plukt Gaya een paar klein takje van de boom die hun tijdelijk thuis is. Kauwend op een van de takjes biedt ze haar den-genoten ook een takje aan. Wanneer een kant van het takje goed vezelig is gekauwd gebruikt zij de vezels om haar tanden mee te poetsen. Daarna gooit zij het takje op het vuur. De takjes van haar metgezellen volgen even later.  Gaya pakt de twee konijnenhuiden die ze mee naar binnen heeft genomen, pakt haar mes en begint met het schoonmaken van de huiden. Tas probeert ondertussen de takken bij de ingang zo over elkaar te schuiven dat er wel licht maar geen water binnen komt. Al snel zit Urgh op zijn knieën bij haar. Met behulp van wat twijgen en grastouw is de klus snel geklaard. Urgh gaat verder met het uitbikken van de kookpot terwijl Tas met de wilgentenen aan de slag gaat om een extra voorraadmand te maken.

Aan het eind van de middag is het even droog. Tas gaat gewapend met haar slinger en nieuwe mand hout sprokkelen en misschien wel iets te eten slingeren. Gaya zet eerst de door Urgh gemaakte kookpot op een steen buiten de den om regenwater in op te vangen en gaat dan de vislijnen controleren en Urgh…. Urgh begint zuchtend aan een tweede kookpot. Pas wanneer hij die af heeft mag hij van zichzelf aan de krukken beginnen. Beide vrouwen zijn nog maar net binnen wanneer het weer begint te regenen. De wind is gedraaid waardoor het inregent en er niets anders zit dan het daglicht buiten te sluiten.  Bij het licht van het kleine vuur kan er niet gewerkt worden. De drie mensen eten en kletsen nog wat en gaan dan vroeg slapen in de hoop dat het de volgende dag droog is.
Ze hebben pech. De volgende dag is het net zulk weer als de dag er voor. Net als de volgende en de daaropvolgende dag. Wanneer het even wat minder hard regent zorgen de vrouwen voor eten, brandhout en extra wilgentenen. Deze laatsten worden tot matten gevlochten zodat ze niet meer op de vochtig wordende zandgrond hoeven te zitten en te slapen. De wereld rondom de den verandert in een steeds groter wordende modderpoel waardoor de beperkte bewegingsvrijheid van Urgh nog kleiner wordt en hij alleen nog maar buiten komt wanneer het echt niet anders kan. Na elk uitstapje keert de man viezer en somberder terug naar het plekje onder de den. De gesprekken verstommen.

Pas aan het eind van de ochtend van de vijfde dag houdt het op met regenen en breekt de zon door. Opgelucht dat ze even bij de sombere jager weg kunnen gaan beide vrouwen hout sprokkelen en jagen terwijl Urgh richting de steen voor de den verhuisd om daar aan zijn krukken te beginnen. Verlangend kijkt hij naar de rivier en zucht. Zo lang de helling en het rivierstrand nog een grote modderpool zijn kan hij geen kant op. Naar de rivier kruipen/glijden om zich te wassen heeft geen zin. Voordat hij terug boven bij de is is hij smeriger dan nu. Urgh pakt zijn bijl en begint met de boomloten tot manshoogte in te korten.

21. Het kamp wordt uitgebreid

Urgh pakt zijn bijl en begint met de boomloten tot manshoogte in te korten. Dan begint hij met het schors van de loten af te halen. Wanneer hij daar mee klaar is maakt hij een armslange inkeping in het eerste stammetje. Hij maakt het stammetje in een van de plassen bij de den nat en duwt zijn bijl zo diep mogelijk in de inkeping waardoor de loot op een wichelroede gaat lijken. Dan legt hij de stam aan de kant om te drogen.

Zonder bijl kan hij niet verder werken aan de tweede kruk. Urgh voelt de zon op zijn gezicht branden, kijkt nog eens naar de modderpoelen die al aardig op beginnen te drogen en neemt een besluit. Urgh kruipt de den in, pakt zijn werpspiesen en zijn slinger, kleedt zich uit, maakt zijn kleren met zijn slinger aan de spiesen vast en gooit deze naar beneden, richting de rivier. Dan laat hij zichzelf van de modderige helling afglijden. Beneden pakt hij de spiesen met zijn kleding en schuift/kruipt via de verlaten vuurplaats naar de waterkant. Daar zoekt hij de laatste beetjes schuimas, kruipt naar het water en begint zijn kleding te wassen. Daarna is hijzelf aan de buurt. Eenmaal schoon zwemt hij naar een punt waar hij voldoende door het water ondersteund wordt om met behulp van zijn werpspiesen aan de loopoefeningen zoals Gaya hem die heeft geleerd te beginnen.

Urgh is net aan zijn achtste baan bezig wanneer hij achter zich mannenstemmen hoort, vergezelt van vrolijk gejelp van Kleintje. Snel draait hij zich om en haalt opgelucht adem wanneer hij Pew, Azel en Zan samen met Kleintje, Gaya en Tas op de oever ziet staan. Rustig loopt hij zo ver hij lopen kan naar de vijf mensen toe. Het laatste stukje legt hij zwemmend af. Terwijl hij het strand opkruipt ziet hij dat de drie mensen niet met lege handen zijn gekomen. Vlak bij hun voormalige vuurplaats staan twee volgeladen sleden. Tas pakt zijn nog natte kleding en reikt hem die aan. ‘Wacht even’, zegt Pew, ‘Nana heeft kleding voor Urgh meegegeven. Niet nieuw, maar wel schoon en droog’. Pew loopt naar de achterste slee en haalt daar een pakketje vanaf en brengt dat naar Urgh. Tot zijn grote vreugde ziet hij dat er ook een slaaprol in het pakket zit, en extra voetbedekking. Urgh kleedt zich snel aan en schuift dan richting de vuurplaats waar Gaya net een klein vuur heeft aangestoken en een bak met water neer heeft gezet om kruidenthee te maken.

Samen met Tas en Gaya halen de drie nieuwkomers de sleden leeg en de mannen beginnen met het opzetten van een tent, groot genoeg voor zes mensen en een wolf om in te slapen. Tas haalt samen met Pew de schuilplek onder de den leeg, terwijl Gaya de vuurplaats hersteld en naast de kruidenthee ook een bak met een groentestoofpot op de rand zet. Als laatste neemt Tas de krukken in wording mee naar de vuurplaats, legt ze bij Urgh neer en gaat dan meehelpen met het opzetten van de tent. Urgh zit ondertussen op een van de sleden bij het vuur en vilt de door Tas gevangen buit en legt de stukken konijn en eend naast de bak met kruidenthee op de rand van de vuurplaats om te garen.

Een goed uur later, bij het vallen van de avond is het kamp, net als het eten, klaar. Dan is er eindelijk tijd om rustig samen te zitten en verhalen uit te wisselen. Tas en Gaya vertellen over de holenleeuw. ‘Dan had ik het toch goed gehoord’, zegt Pew. ‘Ik heb haar heel ver weg horen brullen, wist niet van welke kant het kwam en ben doorgelopen naar het dorp. Er zijn wel dagen geweest dat ik mij daar schuldig over voelde, maar volgens Elm en Zan was dat het beste wat ik had kunnen doen omdat niemand had geweten waar jullie te zoeken wanneer ik niet thuis was gekomen’.

Dan zijn de nieuwtjes uit het dorp aan de beurt. Azel verteld dat zijn dochter Marg zich tijdens de zomerzonnewende gaat verbinden met Dorpswijze. Pew begint te stralen en verteld dat zij zich dan ook gaat verbinden en wel met Krom, de zoon van Azel. ‘Ja meisje’, zegt Azel tegen Gaya, ‘Het gaat rustig worden aan het vuur van Yali en mij. Marg gaat aan het vuur van Elm wonen, en Krom verhuisd naar de vuurplaats van Zan. Daar is hij als jager meer op zijn plaats’.  Er volgen nog wat koetjes en kalfjes en dan is het tijd om te gaan slapen. Er wordt een wachtschema afgesproken. Eerst Urgh met Kleintje, dan Azel gevolgd door Zan en als laatste Tas.

Gezeten op de slee bij het vuur hoort Urgh hoe iedereen in de tent stil wordt. Ook Kleintje aan zijn voeten valt stil. Urgh gooit nog wat takken op het vuur en staart in de vlammen. Gedachten racen door zijn hoofd. Zal er voor hem nog wel plaatst zijn aan het vuur van zijn melkbroeder wanneer Marg daar komt wonen? En zo niet, aan welk vuur zou hij, een lamme jager, dan welkom zijn? Even verschijnt het gezicht van Gaya voor zijn geestesoog. Met een snelle beweging van zijn hoofd probeert hij het beeld te verwijderen. Gaya ziet hem komen. Zij mag dan niet meer een van de jongste zijn, zij is nog jong genoeg om kinderen te baren en omdat zij uit een heel andere streek komt hoeft zij zich geen zorgen te maken over bloedlijnen. Bovendien, wie moet voor hem het woord doen? Elm? En wie dan voor haar? Beide hebben geen vader om een verbinding te regelen en Elm kan niet met zichzelf onderhandelen.

Gefrustreerd gooit Urgh nog een stuk hout op het vuur wat even flink knettert, terwijl hij zachtjes tegen zichzelf zegt ‘Zet Gaya uit je hoofd kerel. Die gaat echt niet met een lamme man in zee. Die kan wel beter krijgen’. Hij zucht nog eens diep. Dan hoort hij een geluid achter zich. Het is Azel die hem komt aflossen.  Zich afvragend of de man zijn woorden heeft gehoord laat Urgh zich van de slee glijden en kruipt zonder omkijken richting de tent, op de voet gevolgd door Kleintje.

22. Verrassingen

Ondanks zijn wat kortere nachtrust is Urgh als eerste wakker en kruipt samen met Kleintje de tent uit. Zachtjes groet hij Zan die de laatste wacht heeft en en kruipt dan een eind bij het kamp vandaan voor zijn ochtendritueel. Wanneer hij terugkomt heeft Zan een grote bak met water naast het vuur gezet, als voorbereiding op de ochtendthee. Urgh hijst zich op de slee en pakt de krukken die bij de slee liggen om te kijken of zijn idee heeft gewerkt. Tot zijn verbazing zijn beide krukken klaar. Hij bekijkt ze eens goed en ziet dat het niet de krukken zijn waar hij gisteren aan begonnen is. De krukken zijn duidelijk door een vakman gemaakt. ‘Het zou kunnen dat ze te lang zijn’, zegt Zan die hem heeft gade geslagen. ‘Niemand van ons kon zich meer echt herinneren of Elm en jij nu even groot zijn of dat jij toch nog wat langer bent. Azel moet ze dus nog op maat maken. Maar dat hoeft niet zo heel lang te duren, en dan hoef je dat koude water niet meer in om te oefenen. Jongen, wat was ik gisteren blij om je te zien staan. Ik kon het niet geloven toen Pew het vertelde. Daar had ik na je ongeluk niet meer op durven hopen’.

Urgh kijkt naar de man die hem na zijn ongeluk tijdens de tocht naar huis als een vader verzorgt heeft, hem eten en drinken heeft gegeven en er voor gezorgd heeft dat hij regelmatig gewassen werd. ‘Ik heb je nooit bedankt voor wat je voor mij hebt gedaan tijdens de tocht naar huis’, zegt hij zachtjes tegen de jager. ‘Eerst was ik er niet blij mee, blijven leven als een kreupele, een blok aan het been van de stam, maar nu is dat anders’. De jager haalt zijn schouders op en mompelt. ‘Jij had hetzelfde voor mij gedaan jongen. Sterker nog, jij hebt hetzelfde voor mij gedaan. Dankzij jou leef ik nog, kan ik nog jagen’. Er valt een ongemakkelijke stilte die verbroken wordt door een vrolijk ‘Goedemorgen’ van Tas die samen met Pew uit de tent komt, even later gevolgd door Gaya en Azel.

Tien minuten later zitten de zes mensen bij een kop kruidenthee de klussen van de dag te verdelen. Tas en Zan gaan jagen en Pew en Gaya gaan met hen mee om kruiden en groentes te plukken. Azel gaat de krukken van Urgh op maat maken, en daarna de krukken waar Urgh zelf aan begonnen is afmaken. En Urgh… Die mag van Gaya een paar passen met zijn nieuwe krukken maken en dan terug het water in, zijn benen sterker maken. De teleurstelling staat duidelijk op zijn gezicht geschreven.

De teleurstelling wordt nog groter wanneer Azel hem de krukken geeft en vraagt op te staan zodat hij kan bekijken of de krukken ingekort moeten worden. Het lukt Urgh niet om alleen op te staan. Hij heeft de hulp van Zan nodig. Maar dan staat hij, steunend op de krukken die volgens Vakman ongeveer een duim te lang zijn. Hij wil een pas maken maar dat mag niet van Gaya. Eerst moeten de krukken op maat zijn. Voorzichtig, steunend op de krukken gaat Urgh met een plof weer zitten en geeft de krukken aan Azel die met zijn bijl aan de slag gaat. De andere pakken hun wapens en hun manden en vertrekken op zoek naar eten.

Een kwartiertje later mag Urgh nogmaals proberen op te staan. Dit keer lukt het Urgh met veel moeite wel om alleen op te staan al duurt het even voordat hij recht genoeg staat voor Azel om te bepalen of de krukken nu wel de juiste lengte hebben. Azel is voor nu tevreden en vraagt Urgh een pas te maken. Voorzichtig, staand op een been, verzet Urgh de krukken een duim naar voren en hinkt, steunend op de krukken, een klein stukje naar voren. Hij maakt nog een pas en nog een pas. Het is zwaar werk en het zweet staat hem al snel op het voorhoofd. Na een pas of tien vindt Azel het voldoende. Hij trekt de slee bij en vraagt Urgh weer te gaan zitten. Met geveinsde tegenzin doet Urgh wat hem gevraagd wordt. Hij is blij weer te kunnen gaan zitten en snapt waarom Gaya wil dat hij in het water blijft oefenen.

Zo vroeg op de ochtend heeft de zon nog weinig kracht en Urgh voelt er weinig voor om nu al het water in te gaan. Hij pakt zijn bijl en kijkt naar de omgevallen boom bij de schuilden waar hij al meer blokken vanaf gehakt heeft. Azel volgt zijn blik. ‘Ik ga een blok hout halen om nog een kom te maken’, zegt Urgh en laat zich van de slee glijden. Azel pakt de bijl van Urgh en zijn eigen bijl en loopt met hem mee. Samen hebben ze zo een blok hout van de stronk gehakt. Met beide bijlen en het blok hout in zijn handen loopt  Azel terug naar de tent en pakt de krukken waar Urgh aan begonnen is.

Wanneer Urgh bij het vuur komt is Azel bezig met het splijten van de tweede kruk. Urgh gaat op de slee zitten, pakt het houtblok en zijn bijl en begint te kappen. Zo af en toe kijkt Azel even hoe het werk opschiet. Ineens zegt hij ‘Dat doe je handig Urgh en die kommen, bijl en het mes wat je hier gemaakt hebt zien er goed uit. Zou jij er iets voor voelen om vakman te worden? Er is zo veel vraag naar kommen, bijlen, die knopen van jou. Ik kan wel wat hulp gebruiken’. Urgh geeft geen antwoord, houdt zijn ogen op het houtblok in zijn handen gericht. ‘Je moet dan wel naar mijn vuurplaats verhuizen. Of heb jij problemen met Yali en Gaya als mede vuurplaats-bewoners?’, vervolgt Azel zijn vraag.

Nu kijkt Urgh wel op van het houtblok in zijn handen. Hij kijkt Azel met samengeknepen ogen aan, zich afvragend wat de man de vorige avond gehoord heeft. Hij schraapt zijn keel en zegt dan, ‘Nee, ik heb geen bezwaar tegen verhuizen, maar niet zonder Kleintje’. Urgh kijkt weer naar het houtblok in zijn handen. ‘Ik weet ook niet of ik het jagen op klein wild en het lesgeven wel kan missen, maar ik wil zeker over je aanbod nadenken’.

Urgh legt de bijl en het houtblok aan de kant, laat zich van de slee afglijden en kruipt/schuift richting de waterkant, kleedt zich uit, pakt zijn werpspiesen en schuifelt het koude water in en zwemt naar de plek waar hij met zijn loopoefeningen kan beginnen. En met nadenken.

23. Zwijnerij

In het bos zijn de drie vrouwen druk bezig met het leegplukken van een kleine appelboom. De appels zijn oud en rimpelig maar nog goed eetbaar. Zan is stuk doorgelopen, ver genoeg bij de zacht pratende vrouwen vandaan om ongestoord te kunnen jagen. Kleintje is bij de vrouwen gebleven en rent zo af en toe achter een konijn aan. Het gesprek gaat over de komende verbinding van Pew met Krom. ‘Wie is er op het idee van Krom’s verhuizing gekomen?’, vraagt Tas aan Pew. ‘Ik vind het een meesterlijke zet. Jullie kunnen je verbinden en Zan hoeft niet naar het alleenstaande mannenvuur.’ Zonder het antwoord af te wachten kijkt Tas de beide andere dames stralend aan. ‘Het zou voor Flik en mij ook een perfecte oplossing zijn. Tak en Yeti hebben nog drie zoons, die vinden het vast niet erg wanneer een van hun jongens naar Tork’s vuur verhuisd.’

Gaya kijkt de twee lachende jonge vrouwen verbaasd aan. ‘Hebben jullie inspraak over jullie verbinding?’ vraagt zij vol ongeloof in haar stem. ‘In mijn dorp had je je maar te schikken naar de wens van je ouders en soms naar de wens van de dorpswijze.’ Het gezicht wat zij er bij trekt spreekt boekdelen. ‘Dat gebeurt hier ook hoor;, zegt Tas. ‘Soms willen twee mensen zich verbinden maar wanneer een van beide families het er niet mee eens is waardoor er niet onderhandeld kan worden gaat de verbinding niet door. Maar dat gebeurt maar zelden’. Tas plukt de laatste appel van de boom en begint te eten. De andere twee volgen haar voorbeeld en het wordt stil rondom de appelboom. Het is Pew die de vraag stelt die ook Tas bezig houdt. ‘Heb jij een verbinding aan moeten gaan Gaya?’. De vrouw knikt. ‘Ja, met de zoon van de dorpswijze van het andere dorp. Een vreselijke man die altijd zijn zin door dreef en aan een vrouw niet genoeg had. Hij was een van de eerste slachtoffers van de ziekte, net als onze twee kinderen. Van hem vond ik het niet erg, onze kinderen wel. Twee schattige meisjes, de jongste was pas vier manen oud’. Er verschijnen tranen in haar ogen die zij snel weg veegt. ‘Kom’, zegt zij dan, ‘Tijd om ons weer bij Zan te voegen’. Gaya staat op en hangt haar mand weer op haar rug. De twee jongere vrouwen volgen haar voorbeeld. Tas, als beste spoorzoekster, neemt de leiding van Gaya over. In stilte lopen zijn verder met Kleintje als hekkensluiter.

Een goed half uur later is het Pew die de stilte doorbreekt. ‘Zou je geen nieuwe verbinding aan willen gaan Gaya?’ Gaya schudt van nee en zegt dan. ‘Nee, niet echt. Nou ja, soms. Dan was ik bang dat Elm een verbinding voor mij zou regelen en dan hoopte ik dat als het zou gebeuren die man net zo’n gemoedelijke vriendelijke man als Azel of Elm zelf zou zijn. Ik wist eigenlijk niet dat dat bestond. Mijn moeder was medicijnvrouw maar had binnen de vuurplaats niets te vertellen. Net zo min als ik later.’  Gaya zucht eens diep en zegt dan met een klein lachje, ‘Maar vanwaar die vraag Pew, heb je iemand in de gedachten?’ Voor Pew kan antwoorden zegt Tas ‘Wat zou je zeggen van Urgh?’

‘Urgh’, vraagt Gaya verbaasd. ‘Ja, Urgh’, zegt Tas terwijl zij stopt met lopen en zich omdraait om Gaya aan te kijken. ‘Je kent hem wel. Aardige man, schoon op zichzelf, luistert naar je, denkt wel eens na voordat hij iets zegt, kan koken, weet genoeg van kruiden om je te helpen, zal je nooit ergens toe dwingen, al is het maar omdat hij jou vast ook ‘het knietje’ heeft geleerd. Hij kan zelf niet zo goed lopen, maar hij aanbidt de grond waarop jij loopt.’ Gaya zegt niets, kijkt van Tas naar de grond en weer naar Tas. ‘Oh’, zegt Tas teleurgesteld, ‘Jij vindt Urgh niet leuk!’. Gaya doet er nog steeds het zwijgen toe. Dan kreunt Tas ‘En nu heb ik Urgh’s  geheim verraden. Wil je het niet tegen Urgh zeggen, dan vermoord hij me.’. Gaya kijkt Tas nog steeds aan en zegt zachtjes ‘Meen jij dat, dat Urgh mij leuk vindt? Denk jij echt dat Urgh zich met mij zou willen verbinden? Ik ben al oud, te oud om nog kinderen te krijgen. Bovendien, wie zou voor mij moeten onderhandelen? Elm kan ik niet vragen. Hij is familie van Urgh’.  Nu is het de beurt van Tas om stil te vallen, maar niet voor lang. Zij slaat haar lange armen om de vrouw voor haar heen en zegt ‘We worden zussen. Nu alleen nog bedenken wie voor jou gaat onderhandelen’.

‘Onderhandelen? Waarover?’, vraagt Zan, die ineens achter de vrouwen opduikt met in zijn hand vier konijnen. Hij kijkt Kleintje aan en zegt ‘Jij bent een beschermer van niets. Je slaat niet eens aan wanneer er een vreemde het pad op loopt’. Kleintje kijkt hem aan alsof hij zeggen wil ‘Jij bent toch geen vreemde’ en geeft de man een lik over zijn hand. Zan trekt verschrikt zijn hand weg en wrijft hem droog aan zijn kleding. Dan herhaalt hij zijn vragen, ‘Onderhandelen? Waarover?’. Het is Pew die het woord neemt. ‘Gaya vindt Urgh leuk, en volgens Tas en mij vindt Urgh Gaya leuk, maar zij hebben beide geen vader meer om voor hun te onderhandelen. Elm is familie van Urgh, maar hij kan niet voor Gaya en Urgh onderhandelen en…’.

Zan krabt zich even op het hoofd, zegt dan ‘Ehh wat vindt Urgh hier van. Heeft hij hier ook nog iets over te zeggen?’. ‘Eigenlijk niet’, zegt Tas met een lachje, ‘Als Gaya op Urgh moet wachten’…. Dan krijgt zij een idee. ‘Kan jij hem niet voorzichtig polsen? Tegen jou durft hij best wel eerlijk te zijn’.  Gaya kijkt even bedenkelijk naar Tas, die ineens een stuk minder zeker over de aard van de gevoelens van Urgh is dan even geleden. ‘Weet jij het zeker’, vraagt Zan haar. Gaya slikt even en knikt. ‘Dan heb ik goed nieuws voor jou’, zegt Zan met een brede lach op zijn gezicht. ‘Urgh weet het ook zeker. Hij weet alleen nog niet hoe hij het moet vragen. Is bang dat hij niet goed genoeg voor je is. Azel heeft al een plannetje bedacht om hem te helpen, dit maakt het alleen maar makkelijker.’ De jager slingert de konijnen over zijn schouder en zegt ‘Kom dames, we gaan terug naar het kamp. Maar denk er om. Mondje dicht. Laat het verder maar aan Azel en mij over. Samen vinden wij wel een oplossing voor de onderhandeling’.

In een stevig tempo lopen de vier mensen en de wolf teug naar het kamp. Wanneer ze vlak bij het kamp zijn begint Kleintje ineens te grommen en gaat er als een speer vandoor richting het kamp. Dan horen ze Urgh schreeuwen. De vier mensen pakken hun wapens en vervolgen rennend hun weg. Eenmaal voorbij de schuilden zien zij hoe Urgh op zijn rug in het water ligt, onder de voet gelopen door een wild zwijn. Er steekt een werpspies uit de nek van het beest en Kleintje zit op zijn rug. Het water is rood van het bloed. Maar wiens bloed?

24. Over het vuur stappen

Met een ijzingwekkende kreet gooit Gaya haar mand op de grond en rent naar beneden, op de voet gevolgd door de andere. Tijdens het rennen zien zij hoe Urgh met zijn mes de keel van het zwijn doorsnijdt en het beest van zich af duwt, geholpen door  Azel die het beest daarna aan zijn achterpoten richting strand trekt. Net wanneer Gaya het water in rent verdwijnt Urgh onder water. Het water is vertroebeld door de modder en het bloed. Gaya laat zich op haar knieën vallen en voelt om zich heen, op zoek naar Urgh. Wanneer haar handen geen mens voelen vliegt de paniek door haar heen en gilt zij het uit. ‘UURRGGGHHHHH, NEEEEEE!’.

Gezeten op haar knieën in het water, met haar hoofd naar beneden, snikkend zoekend naar de man waar zij haar leven mee wil delen ziet zij niet hoe Urgh op een punt waar het water diep genoeg is zodat hij ondersteund door het water kan staan boven komt. Hij wrijft zijn haren uit zijn gezicht, ziet de vrouw in het water zitten en zwemt haar kant op. Voorzichtig legt hij een hand op haar schouder maar die wordt weggeduwd. ‘Laat mij met rust. Zoek liever mee naar Urgh’, zegt Gaya zonder op te kijken. Urgh kijkt even verbaasd naar de omstanders en zegt dan met een lach ‘Ben ik kwijt dan?’
Het duurt heel even voordat het tot Gaya doordringt dat het Urgh is die naast haar zit maar dan… dan richt zij zich op, kijkt de lachende man aan, knijpt haar ogen tot kleine spleetjes en geeft hem een draai om zijn oren. ‘Dit is niet leuk. Ik dacht dat je dood was en dan maak jij er een grapje van’. Boos staat de vrouw op, verliest haar evenwicht en gaat kopje onder in het ondiepe water. Dan zijn daar de handen van Urgh die haar boven water halen, de armen van Ugrh die haar stevig tegen zich aan trekken. ‘Het spijt me’, zegt hij dan zachtjes. ‘Ik wilde je niet laten schrikken. Ik heb maar een paar schrammen. Niets wat jij niet kunt helen’.  Gaya zegt niets, houdt hem alleen maar vast.

Aan de waterkant kijken vier mensen tevreden toe. ‘Zo Zan’, zegt Azel, ‘Het zwaarste werk zit er op’. Zan kijkt de andere man aan en zegt met een serieus gezicht ‘Heb jij wel eens een zwijn geslacht? Nee zeker, want anders zou je wel beter weten’. Azel  grijnst eens en zegt dan ‘Ik weet weer wat er zo leuk is aan geen jager zijn. Als jij nu begint met slachten dan zal ik vast een spit in elkaar zetten’. Dan went hij zich tot Pew. ‘Ik denk dat jij vandaag maar even de medicijnvrouw moet zijn en die twee uit het water roepen om de wonden van Urgh verzorgen. Van Gaya hebben we vandaag niets zinnigs meer te verwachten’.

Azel trekt de werpspies van Urgh uit de nek van het zwijn en in het struikgewas. Zan begint samen met Tas aan het zware werk van zwijnen slachten. Pew roept de beide mensen uit het water.  Voorzichtig maakt Gaya zich los uit de armen van Urgh en  komt het water uit. ‘Kan iemand even mijn krukken aangeven?’, vraagt Urgh. Ze liggen daar’. Hij wijst naar de plek waar hij normaal het water in gaat. Pew pakt  de krukken en reikt ze aan. Urgh zwemt de rivier in tot hij op een punt is gekomen waarop hij kan staan en de krukken kan gaan gebruiken. Tergend langzaam loopt hij het water uit, richting het kampvuur. Pew pakt zijn kleren die aan de waterkant liggen en samen met Gaya loopt zij met Urgh mee.

Bij het vuur inspecteert zij de wonden van Urgh en stuurt Gaya naar de tent om droge kleren aan te trekken. Zoals hij zelf al had gezegd zit er geen enkele diepe wond bij. Het zijn allemaal schrammen. Wel beginnen zich de eerste blauwe plekken te tonen. Pew ziet een paar duidelijke hoefafdrukken op zijn bovenbenen, zijn borst en zijn schouder. Een duidelijk teken van de snelheid waarmee het beest de lamme jager onder de voet heeft gelopen. Voorzichtig betast zij zijn ribben en zijn sleutelbeen. Aan de stokende ademhaling van Urgh hoort ze hoe pijnlijk die handeling is, maar ribben en sleutelbeen lijken niet gebroken te zijn, slechts gekneusd. ‘je hebt geluk gehad Urgh, dat de slagtanden van dat beest je niet geraakt hebben. Dan was je er nu een stuk minder goed aan toe geweest’. Urgh knikt en begint zich aan te kleden.

Zijn gezicht klaart op wanneer Gaya uit de tent komt en naar hen toe loopt. ‘Hoe is hij er aan toe Pew?’, vraagt Gaya. Pew grinnikt eens en zegt dan ‘Goed Gaya. Ik zou alleen voorlopig niet met mijn hoofd op zijn schouder gaan slapen, want daar zit een kneuzing. Net als op zijn borst en zijn bovenbenen. Ik vind het knap dat hij zelf hier naar toe gelopen is. Hoewel, gelopen? Gekrukt kan je beter zeggen’.

Op dat moment duikt Azel op uit het struikgewas. Hij sleept een halve boom achter zich aan. ‘Ah dames’, zegt hij, ‘Kunnen jullie mij even helpen met sjouwen. Deze boom moet naar het strand, zo dicht mogelijk bij het zwijn’. Gaya en Pew doen wat hen gevraagd wordt en helpen Azel de boom  te verslepen. Daar aangekomen, veilig buiten gehoorsafstand van Urgh vraagt Azel  aan de overige kampgenoten ‘Heeft een van jullie een idee hoe hij samen met Gaya over het vuur heen kan stappen zodat de voorouders weten dat hij zich gaat verbinden, zonder dat hij zijn voeten verbrandt’.

De drie vrouwen kijken hem verbaasd aan. ‘Over het vuur stappen?’, vraagt Pew. ‘Daar heb ik nog nooit van gehoord’. Het is Zan die antwoord geeft. ‘Omdat Gaya helemaal niet en Urgh maar voor de helft afstamt van de voorouders van ons dorp is de uitkomst van de onderhandelingen niet voldoende om de voorouders in te laten stemmen met de verbinding. Dit moet met vuur bezegeld worden’.

25. De onderhandelingen beginnen

Na deze mededeling slaat de vrolijke stemming meteen om. Een brandende twijg is op dit moment zo ongeveer het enigste waar Urgh zonder kleerscheuren overheen kan stappen. Dat gaat nog een hele dobber worden. ‘Dan gaan we nu aan het spit beginnen dames’, zegt Azel. ‘Vanavond gaan Zan en ik onderhandelen over deze verbinding alsof dat het enigste is wat telt. We hebben nog even tot de zomerzonnewende’.

Azel pakt zijn bijl en gaat aan de slag met de boom. Al snel heeft hij de twee stutten waar het spit op moet rusten klaar. ‘Breng maar naar het vuur’, zegt hij tegen Pew en Gaya. ‘Ik ga deze tak ontschorsen en van een flinke punt voorzien. Zodra Zan en Tas klaar zijn met het villen en schoonmaken van het zwijn duwen we het aan de tak en dan kan het zwijn boven het vuur gehangen worden.’ Dan grijnst hij breed naar Pew en Gaya en zegt ‘Ik ben wel benieuwd wat we vanavond gaan eten want dit beest is morgen pas eetbaar’.  Die opmerking herinnert Pew en Gaya aan de neergesmeten manden met de buit van die dag. Samen lopen ze terug de heling op om de gevulde manden ophalen.

Terug in het kamp ligt Urgh naast de slee te slapen. Gaya gaat zijn slaaprol halen en legt deze over hem heen. Zwijgend vilt Pew twee konijnen en Gaya maakt de knollen schoon. Alles verdwijnt met wat kruiden in een grote kom met water die bij het vuur staat. Zacht kreunend draait Urgh zich glimlachend op zijn zij, met zijn gezicht naar het vuur. Urgh slaapt nog steeds als Zan en Azel het zwijn aan spit op de twee staanders leggen.

Tegen de tijd dat de zon onder gaat is de stoofpot klaar. Voorzichtig maakt Zan Urgh wakker. ‘Tijd om te eten jongen’, zegt hij vriendelijk. Langzaam, als in een trance gaat Urgh op de slee zitten. Gaya vult de kommen en deelt ze uit. Zwijgend begint iedereen te eten. Zo af en toe werpt iemand een steelse blik op Urgh die nog steeds glimlachend met een dromerige blik in de ogen naar het vuur staart, onderwijl rustig zijn kom leeg etend. Wanneer hij zijn kom leeg heeft lijkt hij pas echt wakker te worden. Hij knippert een paar maal met zijn ogen, kijkt dan naar Gaya en vraagt of hij nog een kom mag hebben. Gaya schept zijn kom nogmaals vol en reikt hem de kom aan. Urgh neemt een hap, kijkt dan een voor een de vijf mensen rondom het vuur aan en vraagt ‘Is er iets? Jullie zijn zo stil’. De een na de ander begint te vertellen dat er niets aan de hand is. ‘Je weet toch, als ik eet, dan eet ik’, zegt Tas, Pew zegt dat ze nadenkt over een kruidenmengsel om zijn kneuzingen sneller te laten genezen en de beide mannen mompelen iets over  het mentaal voorbereiden op de onderhandelingen. Alleen Gaya zegt niets. Zij staart somber in het vuur. ‘Gaya’, zegt Urgh. De vrouw kijkt hem even aan en draait haar ogen dan weer terug naar her vuur. ‘Gaya’, zegt hij nogmaals, ‘Wat is er aan de hand? Heb je twijfels over onze verbinding?’ Als dat zo is moet je het gewoon zeggen’. Gaya schudt van nee en zegt dan ‘Nee Urgh, dat is het niet. Ik wil niets liever dan me met jou verbinden. Ik vraag me alleen af wat de voorouders er van zullen denken, of zij het er mee eens zijn.’

Urgh begint te lachen en kijkt van de een naar de ander. ‘Is dat het. Jullie zijn bang voor het  vuurritueel’, zegt hij tot hun verbazing. ‘Dat hoeft niet hoor. De voorouders vinden het prima en zullen zorgen dat het vuur smal en laag blijft zodat ik er makkelijk overheen kan stappen. Dat heeft Onna mij verteld’.

‘Onna’, zegt Ael met een glimlach, ‘Die naam heb ik lang niet meer gehoord. Niet meer sinds ik een jongeman op zoek naar een partner was’. Hij kijkt van Urgh naar Tas en weer terug naar Urgh. ‘Maar jullie moeder koos voor Tork en werd daarna alleen nog Medicijnvrouw genoemd’. Er verschijnt een dromerige blik in zijn ogen. ‘Vrij kort daarop kwam de vader van Yali om met mijn vader te onderhandelen, en dat is het mooiste wat mij ooit is overkomen’.

Urgh kijkt naar de man en zegt ‘Azel, Onna vroeg mij jou te zeggen dat zij al snel spijt had van haar keuze en dat zij altijd een beetje jaloers is geweest op wat Yali en jij hadden. Zo hoort een verbinding te zijn, zei zij’. Urgh strijkt met zijn handen door zijn haar en vervolgt. ‘Zan, Onna vroeg mij jou namens Joli te zeggen dat ze je mist, maar dat ze hoopt dat je je voorlopig nog niet bij haar voegt. Pew’, vervolgt hij zijn verhaal, ‘Joli vindt de keuze voor Krom als vuurpartner een medicijnvrouw-waardige keuze en zij hoopt dat jij net zo gelukkig wordt met Krom als zij altijd met Zan is geweest’.
Urgh richt zijn blik op Tas. ‘Wat heeft moeder mij te vertellen?’, vraagt het meisje. ‘Dat ze trots op je is om alles wat je de laatste maanden gedaan hebt. Dat ze blij is dat jij je niet bij de eisen van Tork neerlegt maar doet wat je hart je ingeeft en dat je keuze voor Flik een goede is. Dat je niet moet wanhopen, dat jullie je volgend jaar zullen verbinden’. Dan grinnikt hij even, kijkt Gaya aan en zegt ‘Toen werd Onna bijna aan de kant geduwd door een roodharige dame met vurige groene ogen die mij sterk aan iemand deed denken. Zij zei dat haar naam Kali is en dat wanneer ik haar dochter slecht zou behandelen zij er persoonlijk voor zou zorgen dat ik mijn beide benen nogmaals zou breken’. De grimas die hij daar bij trekt maakt dat de melancholische sfeer die rondom het vuur ontstaan is wordt doorbroken.

Dan zegt hij in het algemeen ‘Wie onderhandelt voor wie, en waarom?’. Azel schraapt zijn keel en zegt ‘Ik onderhandel namens Gaya. Zij woont al zo lang aan ons vuur dat Yali en ik haar als dochter beschouwen. Onze vuurdochter’. Hij kijkt Zan aan de zegt ‘Ik onderhandel namens Urgh. Toen ik gewond was heeft hij voor mij gezorgd zoals een zoon dat voor zijn vader zou doen. Toen hij gewond was heb ik hem verzorgd zoals een vader zijn zoon zou verzorgen. Mijn zorgzoon’. Gaya lacht naar Urgh en kruipt dicht tegen hem aan. De onderhandelingen zijn begonnen.

26. De kortste onderhandelingen ooit

‘Vakman Azel, mijn vriend,’ begint Zan, ‘Ik wilde je wat vragen. Van vriend tot vriend. Klopt het dat jouw vuurdochter Gaya nog ongebonden is? En zo ja, weet jij of zij haar oog al op iemand heeft laten vallen? Of …. staat zij open voor aanbiedingen?’.

‘Jager Zan, beste man,’ antwoord Azel met een brede grijns, ‘Ik weet dat jij al weer een tijdje vuurpartner-loos bent, maar …. vind jij jezelf niet wat te oud voor mijn vuurdochter. Zij is misschien niet meer zo jong als onze kinderen maar heeft heeft nog heel wat meer levensmanen voor zich dan jij en ik. Hoe graag ik jou ook aan mijn vuur zou verwelkomen, ik denk niet dat jij de meest geschikte partner voor mijn vuurdochter bent’.

De vier toehoorders schieten in de lach terwijl Zan zijn hoofd schudt. ‘Vakman Azel, mijn vriend’, gaat hij onverstoord verder, ‘Je vergist je. Ik ben niet op zoek naar een vervangster van mijn lieve Joli, moeder van mijn kinderen. Neen, ik stel de vraag namens mijn zorgzoon. Een onverschrokken en groot jager, niet bang om gewapend met slechts twee werpspiesen een kolenleeuw of wild zwijn te lijf te gaan. Hij heeft kennis van kruiden, kan breuken zetten, wonden dichtnaaien. Een uitvinder, een leraar, een denker en een dierentemmer’.

Azel wrijft zich langs zijn kin en vraagt dan ‘Onverschrokken jager, uitvinder, denker? Een bijzondere combinatie. Noem mij zijn naam en ik zal mijn vuurdochter vragen of zij eventueel belangstelling heeft’. ‘Urgh’, zegt Zan, ‘Ik heb het over Urgh. Over wie anders?’

Azel trekt een bedenkelijk gezicht. ‘De lamme jager’, zegt hij dan, ‘Ik zal het mijn vuurdochter vragen maar of zij dit aanbod wil overwegen. Je snapt dat zij als de toekomstig belangrijkste medicijnvrouw van het dorp haar vuurpartners voor het kiezen heeft en Urgh mag dan onverschrokken zijn en zo, het feit dat hij niet kan lopen spreekt tegen hem’.

Azel went zich tot Gaya en zegt ‘Gaya, vuurdochter van Yali en mij, ik moet met je praten. Ik heb vandaag een verbindingsverzoek voor jou ontvangen. Urgh, de lamme jager met de wolf, schijnt een oogje op je te hebben. Zeg mij, kunnen we over het aanbod praten of gaat jouw voorkeur uit naar een andere man?’.  Gaya schud van nee. ‘Bedoel je’, vraagt Azel, ‘Dat we niet over het voorstel kunnen praten, of bedoel je dat je geen andere man op het oog hebt?’. Gaya bloost en zegt ‘We kunnen over het voorstel praten. Ik heb geen andere man op het oog’. ‘Zeker weten’, dringt Azel voor de vorm nog even aan, maar Gaya weet het zeker.

Azel went zich weer tot Zan en zegt ‘De wonderen zijn de wereld nog niet uit jager Zan, beste vriend. Mijn vuurdochter ziet jouw zorgzoon wel zitten. Dan kunnen we het nu over hun woonplaats gaan hebben. Ik stel voor dat zij bij Yali en mij komen wonen. Wij hebben meer dan genoeg ruimte nu onze dochter aan de vuurplaats van de dorpswijze gaat wonen en onze zoon naar jouw vuurplaats verhuist. Daarbij: ik kan wel wat extra handen gebruiken bij mijn werk en die zorgzoon van jou weet voor een jager niet onaardig met gereedschap om te gaan en hij denkt soms ook nog even na voordat hij iets doet’.

Zan knikt even, wendt zich tot Urgh en zegt ‘Azel gaat er akkoord met een verbinding tussen zijn vuurdochter en jou mits jij bij zijn vuur gaat wonen en hem gaat helpen bij zijn werk. Ben jij daartoe genegen?’. Urgh knikt en zegt snel ‘Ik vind het prima om de oude man met zijn werk te helpen mits ik ook de tijd en ruimte krijg om de kleintjes te leren omgaan met de slinger en om Gaya regelmatig te vergezellen bij haar kruidenzoektochten’.

Zan kijkt naar Azel en herhaalt de woorden van Urgh, inclusief het ‘oude man’. ‘Daar ga ik mee akkoord’, zegt Azel. ‘Blijft er nog een punt over. De geschenken. Wat heeft Urgh te bieden?’ ‘Een everzwijn’, zegt Zan meteen. ‘Geslacht en geroosterd. Zodat Gaya voorlopig geen honger krijgt’.
Urgh grinnikt zachtjes wanneer Azel ja knikt.

‘Wat heeft Gaya te bieden?’, herhaalt Zan de vraag. Azel denkt heel even na en zegt dan ‘Knie en kont-stukken van everzwijn huid voor op de broek van Urgh zodat deze niet zo snel slijt’. Nu is het Zan’s beurt om ja te knikken. Dan went Azel zich tot Urgh en Gaya en zegt ‘Blijft er nog een puntje over. De persoonlijke geschenken. Jullie hebben beide nog tot de zomerzonnewende de tijd om een persoonlijk geschenk voor de ander te maken. Zorg dat het niet te groot is zodat de ander het altijd bij zich kan dragen als bewijs van jullie verbinding’.

Terwijl hij dit zegt steekt hij zijn arm uit en laat zijn armband van gevlochten leer zien ‘Dit is het geschenk van Yali. Wanneer een van de koorden dun wordt vervangt zij deze zodat ik de band nooit kwijt zal raken.’ Glimlachend raakt hij de band even aan en zegt dan ‘En dan lust ik nu wel een kop thee. Ik heb een droge mond gekregen van het onderhandelen’. Grinnikend zegt Zan ‘Een droge mond, van de kortste onderhandelingen ooit?’

Terwijl Zan een kom thee van Tas aanneemt zegt hij op gewone toon ‘Hoe verdelen we de wacht vannacht nu Urgh niet mee doet?’ Urgh wil protesteren maar Pew zegt “Als jouw medicijnvrouw verbied ik je vannacht te waken. Jij moet goed slapen om te herstellen’. Ze geeft Urgh een kom thee en zegt ‘Als je die op hebt kan je maar beter naar je slaaprol gaan om te slapen. Ik heb er extra veel valeriaan in gedaan’. Urgh wil protesteren maar Azel zegt ‘Nee Urgh, jij gaat dadelijk naar bed. Tas, Pew, jullie nemen samen met Kleintje de eerste wacht, ik de tweede en Zan de laatste’.

Een kwartier later heeft iedereen zich in de tent teruggetrokken en beginnen Pew, Tas en Kleintje aan de eerste wacht. Uit de tent komt de slaperige stem van Urgh die zegt ‘Azel, we moeten morgen eens praten. Ik heb een idee voor jouw vuurplaats’.

27. De ontdekking

Als Urgh de volgende morgen wakker wordt is de tent leeg. Stram en stijf kruipt hij de tent uit. Daar ziet hij dat niet alleen de tent leeg is, maar ook het kamp. Alleen Azel zit bij het vuur te werken. Urgh kruip naar het vuur, vult voorzichtig een kom kruidenthee en drinkt deze zwijgend op. Azel werkt verder terwijl hij vraagt ‘En jongen, hoe zit het met dat idee voor mijn vuurplaats?’. Urgh wrijft zich eens over zijn gezicht en zegt dan ‘Je weet waarschijnlijk wel wat een deel van het dorp vindt van het feit dat jij geen deel uitmaakt van de voedselvoorziening van het dorp. Nu Krom met de jagers meegaat is het commentaar wat verstomd maar wanneer Krom na de zomerzonnewende bij het vuur van Zan gaat wonen en Kleintje en ik naar jouw vuur verhuizen zal het commentaar wel weer oplaaien, denk je ook niet?’. Azel knikt van ja.  ‘Nu had ik bedacht, jouw vuurplaats telt dadelijk vier mensen, de vuurplaats van Zan slechts drie. Wanneer Zan en Krom uit jagen zijn zal Pew tijdelijk bij jullie komen wonen. Maar… Wanneer de vuurplaatsen van Zan en jou samengevoegd worden, dan heeft het dorp niets meer te zeuren want dan telt jouw vuurplaats twee jagers en Pew hoeft niet constant haar boeltje bij elkaar te pakken en te verhuizen’. Urgh lacht schaapachtig naar Azel en zegt dan ‘Wat vindt je er van? Wil jij er over nadenken of verwijs je het idee meteen?’. Azel kijkt Urgh peinzend aan en zegt ‘Met dit idee heb ik tijdens de onderhandelingen voor de verbinding tussen Krom en Pew ook gespeeld. Je hebt een punt. Ik ga er eens goed over nadenken’. Urgh knikt dat hij het begrijpt. Even kijken beide mannen zwijgend naar het vuur, dan vraagt Azel ‘Wat zijn jouw plannen voor vandaag? Loopoefeningen? Of ben je daar te stram voor?’.

‘Geen loopoefeningen’, zegt Urgh, ‘Maar ik wil wel het water in en een stuk stroomafwaarts zwemmen. Toen Gaya en ik op die zandbank daar zaten zag ik links van ons iets wat op een grot leek. Die zou ik graag willen inspecteren. Tenminste, wanneer jij genegen bent over de oever mee te wandelen en bij de inspectie mijn benen te zijn’. Zonder na te denken zegt Azel ja. ‘Wat moet ik allemaal meenemen voor zo’n inspectie?’

Een goed half uur later heeft Azel op aanwijzing van Urgh zijn draagmand gevuld met touw, wat gedroogd vlees, de kleren van Urgh, vuurstenen, de bijlen van Urgh en hemzelf. In zijn hand heeft Azel de slinger van Urgh. Azel hangt de mand op zijn rug en Urgh schuift het water in, op weg naar iets wat op een grot leek.

Een uur later bereiken ze zonder incidenten de plek die Urgh vanaf de zandbank heeft gezien. Het strand ligt bezaait met dikke vuursteenknollen en een meter of zeven boven het strand zien beide mannen naast diverse kleine holtes in de rotswand de ingang van een grot. Urgh kruipt het strand op en kleed zich aan. Azel zoekt wat hout bij elkaar en maakt een klein vuur. Van een tak maakt hij een fakkel. Langzaam lopen en kruipen de mannen richting de ingang. Urgh kijkt goed om zich heen, op zoek naar sporen van mens of dier. Hij ziet niets wat hem verontrust. De route die ze volgen leidt langzaam omhoog. Bij de opening in de rotswand aangekomen houdt Azel de fakkel wat voor zich uit. Beide mannen zien een kleine ruimte. Behoedzaam gaan ze naar binnen. De ruimte is niet groot. Urgh ziet dat de grot links van hem doorloopt. Hij kruipt die kant op, op de voet gevolgd door Azel. Na een meter of twee komen de mannen in een grote ruimte, hoog en wonderbaarlijk licht. Door een aantal gaten in de wand valt er zonlicht naar binnen wat weerkaatst wordt door diverse kristallen die her in der uit de wanden en het plafond steken. Ook het licht van Azel’s fakkel wordt weerkaatst. De mannen houden hun adem in. Urgh kruipt richting een van de gaten in de wand. De vloer is redelijk vlak met nauwelijks scherpe randen. Zijn ribben doen pijn wanneer hij zich via de rand van een van de gaten in de wand van de grot optrekt en naar buiten kijkt. Voor zich ziet hij het strand, links de bomen en de struiken waar Azel heeft gelopen, rechts  van hem ziet hij een weide.

Azel komt naast hem staan, volgt zijn blik. Dan horen ze gekwaak. Een hele groep eenden strijkt in het water neer. De mannen kijken elkaar lachend aan. Urgh laat zich op handen en knieën zakken en begint aan de weg richting de uitgang. Buiten laat hij zich voorzichtig van het pad afglijden. Beneden aangekomen kruipt hij langs de wand richting de weide. Azel steekt de fakkel in de grond en volgt Urgh op zijn tocht via de weide naar de bovenkant van de rotswant. Des te hoger zij komen des te scherper wordt de geur die hen tegemoet komt. Wanneer Urgh zijn hoofd over de rand van de rotsen steekt en de kudde schapen ziet die daar loopt begint hij te lachen. ‘Azel’, zegt hij, ‘We hebben gezelschap’. Op de weide maakt Urgh het zich gemakkelijk en leunt met zijn rug tegen een boomstam. Azel loopt speurend de weide rond, op zoek naar sporen van mensen maar hij ziet nergens iets wat op bewoning wijst. Na een kwartier staakt hij het zoeken en loopt terug naar Urgh. Hij pakt het gedroogde vlees uit zijn mand en geeft de helft aan Urgh. Bang om hun gedachten uit te spreken kauwen de beide mannen op het vlees, terwijl zij hun ogen over de rivier, de weide, de schapen en het bos laten gaan.

Lang nadat het laatste stuk gedroogd vlees genuttigd is zegt Urgh zuchtend: ‘We kunnen hier niet blijven Azel, we moeten weer terug naar ons kamp. Langzaam begint hij aan de tocht naar beneden, via de weide naar het strand vol vuursteenknollen. Eenmaal bij de waterkant aangekomen kleedt hij zich uit. Azel maakt de fakkel bij de grot uit, gooit wat zand over het vuur en loopt dan ook naar de waterkant toe. Hij haalt het touw uit zijn mand en geeft dat aan Urgh. Urgh bindt het ene uiteinde rondom zijn middel. Azel stopt de kleren van Urgh in zijn mand, slingert deze weer op zijn rug en pakt het andere uiteinde van het touw in zijn hand. Dan zijn zij klaar om aan de weg terug naar het kamp te beginnen.

Een dik uur later worden zij bij het kamp begroet door de heerlijke geur van everzwijnstoofpot. Een kwartiertje later zitten de zes mensen rondom het kampvuur te eten. Azel verteld lyrisch waar Urgh en hij geweest zijn. Het idee wat hij niet durft uit te spreken klinkt toch in zijn woorden door. Het is Zan die als eerste het woord neemt wanneer Azel stilvalt. ‘Het klinkt naar de perfecte vuurplaats. Ik stel voor dat we morgen met z’n allen gaan kijken’. De drie vrouwen knikken van ja, nieuwsgierig als zij zijn geworden door de beschrijving van de grot en de omgeving, het verlangen wat in Azel’s stem doorklinkt en in Urgh's ogen te lezen valt.

28. Het kamp wordt opgebroken

‘Kunnen we niet meteen al onze spullen meenemen?’, vraagt Tas. ‘De grot is dichter bij ons dorp dan deze plek en zo komen we er het snelst achter of het een geschikte vuurplaats is of niet’. Zan kijkt bedenkelijk. ‘We weten niet of het daar veilig is Tas. Azel heeft maar een klein deel van de omgeving kunnen verkennen en hij is natuurlijk geen jager. Wie weet ligt de grot vlak bij het hol van een beer of zo’. Teleurgesteld kan Tas niet anders dan de jager gelijk geven. Ook de andere zijn teleurgesteld. In stilte eten zij verder. Behalve Urgh, die staart in de vlammen en lijkt niets te horen van wat om hem heen gezegd wordt. Ineens zegt hij ‘We komen er aan Onna’. Urgh knippert met zijn ogen en kijkt naar de mensen die rondom het vuur zitten. Hij slikt even en zegt: ‘Onna kon of wilde niet zeggen waarom maar het is van het grootste belang dat wij morgen voor zonsopgang terug in het dorp zijn. Daarom moeten we na het eten meteen vertrekken, oppassen voor de wildeman en naast onze wapens alleen het aller noodzakelijkste meenemen’.

Zijn metgezellen kijken hem vragend aan maar meer heeft Urgh, die rustig zijn kom leeg eet, niet te vertellen. Zan vraagt weifelend ‘Weet je zeker dat Onna dit gezegd heeft? Ik vind het vreemd klinken. Wie is die wildeman waar Onna het over heeft?’ Urgh kijkt de jager even aan en zegt dan ‘Ik weet het niet Zan, maar ik geloof Onna en de andere voorouders die ons komen waarschuwen’. Dan stelt Zan de vraag die hem al een dag dwars zit ‘Waarom hebben wij voorouder-drank nodig om met de voorouders te praten en hoef jij alleen maar in het vuur te kijken?’ Urgh haalt zijn schouders op en zegt ‘Dat weet ik ook niet Zan. Maar ze praten tegen me via het vuur, dat moet je geloven’. Zan en Urgh kijken elkaar zwijgend aan. Het is Azel die de stilte doorbreekt en zegt ‘Ik denk dat de voorouders tegen Urgh praten omdat hij een mogelijke dorpswijze is wanneer Ergh overlijdt’. Nu kijken vijf paar mensen Azel vol verwondering aan. ‘Waar heb jij het over?’, zegt Urgh. Gelijktijdig zegt Zan ‘Dat heb ik nog nooit gehoord. Hoe kom jij aan die wetenschap Azel?’.

Azel kijkt de beide mannen aan en begint te vertellen. ‘Het gebeurde toen jullie beide niet in het dorp waren omdat jij gewond was Zan. Tijdens het wandelen was Ergh onze dorpswijze van het pad geraakt en in de ravijn gevallen. Hij werd gevonden door Yali en Onna. Onna bleef bij hem en verzorgde zijn wonden terwijl Yali hulp ging halen. Elm en Tak brachten Ergh terug naar het dorp waar Nana de zorg voor hem op nam. Het leek of hij dood was maar hij ademde nog heel zachtjes. Na een paar dagen deed hij zijn ogen weer open maar het was Nana al snel duidelijk dat zijn geest hem al verlaten had. Hoewel de dorpswijze nog leefde zat het dorp zonder dorpswijze. Op aandringen van Tork maakte Nana voorouder-drank de voorouders om raad gevraagd kon worden. Alle mannen boven de 18 winters kregen de drank te drinken. Ik dus ook. Al snel verschenen de voorouders. Zwijgend keken zij de kring van mannen rond en stuurde met een handgebaar de ene na de andere man weg. Uiteindelijk zaten we nog met z’n drieën rondom het vuur: Elm, Tork en ik.

Een lange blonde man, de stamvader van Nana’s bloedlijn – hij die hier niet geboren is – nam het woord. ‘De traditie wil dat wij als voorouders in overleg met de oude dorpswijze de nieuwe dorpswijze aanwijzen. Helaas is de huidige dorpswijze niet in staat zijn mening met ons te delen en zijn niet alle mannen die in aanmerking komen voor het dorpswijzer-schap hier aanwezig. Vandaar Azel, dat jij hier nog zit. Wij weten dat jij geen behoefte hebt om dorpswijze te worden maar jij zit hier namens de afwezige Urgh. Luister goed naar onze woorden en wanneer de tijd daar is breng Urgh dan op hoogte van wat hier besproken is. Weet dat wij geen van de drie kandidaten helemaal geschikt vinden. Toch nemen wij vandaag een beslissing omdat een dorp niet zonder dorpswijze kan. Weet wel, wie het ook wordt, dat het een tijdelijke benoeming betreft. Luister goed naar wat Zark jullie te zeggen heeft en leer van zijn woorden. Pas na het overlijden van Ergh zal een definitieve keuze gemaakt worden’.

‘Na dit gezegd te hebben deed de man een stap achteruit en werd zijn plaats ingenomen door Zark. Zark wendt zich tot Tork en zegt: Tork mijn zoon. Hoewel jij een goed jachtleider bent luister je te veel naar de dorpswijze als het op het zoeken van jachtvelden gaat en ben je ook tijdens de jacht te veel met je eigen gewin bezig. Je houdt te weinig rekening met de mogelijkheden van anderen. Besef verder dat een dorp meer nodig heeft dan alleen jagers. Ook verzamelaars en vakmannen zijn van belang wil dit dorp kunnen blijven bestaan. Leer die lessen zoon en wie weet wordt jij de volgende dorpswijze’.
Dan richt Zark het wordt tot Elm. ‘Elm jongen, jij bent nog jong, hebt weinig jacht en leiderservaring maar Ergh was bezig om je tot dorpswijze op te leiden en wat wij van je gezien hebben stemt ons positief. Jij kunt je inleven in anderen, bent in staat om verder te kijken dan de volgende jacht en bent in staat om voor hen die je lief hebt onbaatzuchtige beslissingen te nemen. Wat jij moet leren is dat je niet altijd naar de wensen van hen die je liefhebt moet kijken, maar ook naar de wensen van hen die je minder mag. Leer die les en wie weet wordt jij de volgende dorpswijze’.

Starend in het vuur zegt Zark: ‘Urgh, ondanks het feit dat jij nog jonger bent dan Elm heb jij al veel jachten meegemaakt en je leiderschapscapaciteiten aan eenieder laten zien. Je hebt een snelle geest, bent in staat om de beslissingen die je neemt goed te overdenken en rekening te houden met alles en iedereen. Jouw les is dat je ook leert rekening te houden met wat jij wilt. Leer die les, en wie weet wordt jij de volgende dorpswijze’.

Dan kijkt Zark mij aan. ‘Azel’, zegt hij, ‘Weet dat wanneer jij over tien generaties geboren zou zijn jij een perfecte dorpswijze zou zijn maar nu is de tijd nog niet rijp voor een dorpswijze als jij. De meeste jagers nemen je niet serieus en zullen nooit naar je raad luisteren. Vandaag moeten ze wel luisteren. Jij zal dadelijk namens ons vertellen wie de tijdelijke dorpswijze wordt’. Dan knikt hij naar ons en gedrieën, met hem vlak achter ons, lopen we naar buiten, naar de wachtende mannen. Daar zeg ik, met de stem van alle voorouders ‘Elm is voor nu de dorpswijze. Na het overlijden van Ergh zal er een definitieve keuze gemaakt worden’.

Met neergeslagen ogen vervolg Azel zijn verhaal. ‘Ik had het je eerder moeten zeggen Urgh, maar toen je meer dood dan levend terug kwam van de jacht dacht ik dat je kansen verkeken waren. De laatste weken denk ik daar anders over. Vandaar dat ik met Zan en Pew mee ben gekomen. Om te zien hoe je gegroeid bent en om je dit te vertellen’. Urgh zegt niets, kijkt de ouder man zwijgend aan, probeert te verwerken wat hij heeft gehoord.

Het is Zan die de stilte doorbreekt. ‘Als ik jou zo hoor praten Azel, dan denk ik dat Ergh vandaag is overleden en er morgen een nieuwe dorpswijze gekozen gaat worden. Urgh moet dan in het dorp zijn net als de medicijnvrouwen. Tas, Pew, ga de slaaprollen pakken en de manden met voedsel. Gaya, pak de krukken, de slinger, flink wat stenen en de werkspiesen van Urgh. Vakman, maak een aantal fakkels. We laden de slee zo dat Urgh een goede zitplek heeft zo onze rug bewaakt. Zo lang het licht is trekken Pew en ik de slee, loopt Tas voorop en Gaya en Azel aan weerszijde van de slee. Zodra het donker wordt neem ik de voorste positie in en trekken Gaya en Azel de slee terwijl Pew en Tas beide aan een kant lopen. Als er geen gekke dingen gebeuren zijn we rond middernacht in het dorp. Sneller dan dat gaat niet lukken’.

Een kwartier later is de grot vergeten, de slee geladen, het vuur gedoofd en neemt iedereen zijn/haar plaats in en begint de reis naar huis.

29. De reis naar huis

Op aanraden van Zan zet Tas er een stevige pas in om, nu het nog licht is, zo veel mogelijk van de afstand tussen hun tijdelijk kamp en hun dorp af te leggen. Gezeten op de slee, met zijn rug naar de anderen toe ziet Urgh het tijdelijke kamp bij de rivier langzaam in de verte verdwijnen. Kleintje loopt achter de slee aan, probeert Urgh tot spelen te verleiden maar Urgh heeft weinig aandacht voor de jonge wolf. Hij denkt na over dat wat hij die avond van Onna te horen heeft gekregen. Gebeurtenissen die zo waanzinnig lijken dat hij ze niet durfde te herhalen omdat hij ze eigenlijk niet gelooft. Maar nu, na het verhaal van Azel, gelooft hij ze wel. Maar hoe vertel je je zusje dat… Pffff.. Urgh schudt zijn hoofd.

Urgh wordt in zijn overdenkingen gestoord door Azel die naast hem komt lopen. ‘Urgh’, zegt de oudere man zachtjes, ‘Het spijt me. Ik had je dit eerder moeten vertellen zodat jij niet zo maar voor langere tijd het dorp verlaten had zoals nu. Stel dat er nu iets met Ergh gebeurt is en jij bent niet op tijd terug in het dorp dan kan je niet meedingen naar het dorpswijze-schap’.  Urgh kijkt zwijgend naar de man die naast hem loop. De gedachten vliegen door zijn hoofd. ‘Stop’, roept hij dan, ‘Stop met lopen. Ik moet jullie nog wat vertellen’.

Wanneer de leden van het gezelschap zich rondom Urgh verzameld hebben zegt hij ‘Ik ben niet helemaal eerlijk geweest. Onna heeft mij wel verteld waarom we zo snel naar huis moeten’. Hij gebaart Tas om bij hem op de slee te komen zitten. Hij slaat zijn arm om de schouders van het meisje heen en vervolgt zijn verhaal. ‘Ik durfde het niet te zeggen. Tas. Tork, je vader is de wildeman waar we voor gewaarschuwd zijn. Hij heeft gisteren gepoogd Elm te doden. In al zijn verwardheid heeft Ergh dat weten te voorkomen maar heeft daarbij het leven gelaten’. Urgh kijkt het geschokte meisje aan en zegt ‘Het spijt me Tas. Ik wilde het niet geloven toen Onna het vertelde, maar na het verhaal van Azel moet ik wel’. Hij strijkt even met zijn hand door zijn haar. ‘Tork denkt dat Ergh en Elm beide dood zijn en zal er nu alles aan doen om te voorkomen dat ik voor zonsopgang in het dorp ben. Hij denkt op die manier de enigste kandidaat voor het dorpwijze-schap te zijn. Hij weet alleen niet dat Elm nog leeft’. Urgh zwijgt even, kijkt naar de grond en zegt zachtjes ‘Ik wil geen dorpswijze worden maar ik moet wel naar het dorp toe. Wij moeten naar het dorp toe. Elm is zo zwaar gewond dat hij gemakkelijk aan zijn verwondingen kan bezwijken. Twee van de medicijnvrouwen zijn hier, Nana is op van verdriet om haar man en zoon en heeft hulp nodig. En ik..’. Hij zwijgt even, drukt de huilende Tas stevig tegen zich aan en zegt dan …’ Ik wil dan wel geen dorpswijze worden maar ik vind dat Tork morgen niet als enigste voor de voorouders mag staan.  Wanneer wij voor zonsopgang thuis zijn, zijn er naast Azel en Tork nog twee mannen die de vorige keer niet door de  voorouders weg zijn gestuurd’.

In de stilte die volgt op zijn ontboezeming is alleen het zacht snikken van Tas hoorbaar. Het is Zan die de stilte doorbreekt.. ‘Ik vind het vervelend om te moeten zeggen waar Tas bij is, maar het klinkt naar een Tork actie. Onbezonnen en ondoordacht. Dat hij dorpswijze wil worden is mij al heel duidelijk sinds hij alles in werking stelde om zich te verbinden met Onna’. Hij kijkt Urgh recht in de ogen zegt zachtjes, ‘Ik heb altijd gedacht dat jouw ongeluk te bizar was om een ongeluk te zijn. Ik had dus gelijk’.  Urgh schudt voorzichtig van ja. Dan maakt Tas zich los uit zijn greep. ‘We moeten verder’, zegt het meisje, terwijl zij met de mouw van haar tuniek langs haar ogen wrijft. ‘We moeten terug naar het dorp, naar Nana. Het moet’. Zan knikt, ‘ja het moet’. Hij kijkt de mensen die rond de slee staan aan en zegt dan ‘We hebben een voordeel’. De andere kijken hem verbaasd aan. ‘Hoe bedoel je, een voordeel?’, vraagt Gaya. ‘Tork kennende denkt hij dat hij al dorpswijze is, dat de voorouders het alleen nog moeten bevestigen. De dorpelingen zullen wel kwaad op hem zijn. Ik vermoed dat hij nu buiten het dorp rondzwerft, wachtend op het moment dat het keuze-vuur ontstoken wordt en iedereen die mee wil dingen naar het dorpswijze-schap vrij toegang tot dat vuur heeft. Wij weten dat hij daar ergens rondzwerft, hij weet niet dat wij er aan komen. Daar moeten we gebruik van maken’.

Zan pakt een stok en tekent het dorp en de route naar het rivierkamp. ‘Als we hier in plaats van rechtdoor naar het dorp om de berg heen gaan en via de andere kant het dorp in komen dan….’. Urgh onderbreekt hem. ‘Hij kan zich overal schuilhouden Zan en we moeten rekening houden met groepjes jagers die hem zoeken. We doen er denk ik slimmer aan duidelijk zichtbaar verder te reizen. Ons niet te verstoppen. Dan lopen wij denk ik het minste risico. Zoals je net zelf zei, hij verwacht ons niet, wij hem wel’. Zan denkt even na en kan niet anders dan Urgh gelijk geven. ‘We moeten verder’, zegt Tas nogmaals en draait zich om. Zan houdt haar tegen. ‘Ik maak eerst een fakkel aan om ons zichtbaar te maken en de weg bij te lichten. Azel en Gaya gaan de slee trekken. Pew en jij lopen naast de slee, duwen eventueel als het nodig is’.

Vijf minuten laten is de slee weer in beweging. Na vier  uur stevig doorlopen komt de doorgang naar het dorp in zicht. Bij het licht van het grote vuur wat bij de doorgang brandt ziet het gezelschap tientallen mannen lopen. Het reisgezelschap wordt ook opgemerkt. Al snel lopen vijf jagers hun kant op. Zan geeft een teken om de slee te stoppen. Hij wenkt de vier andere om naast hem te komen staan. Zan houdt de fakkel zo dat hij en de rest van het gezelschap belicht worden Buiten het licht van de fakkel van Zan staat Urgh met behulp van zijn krukken op van de slee. Voorzichtig, met zijn ogen naar de grond gericht om niet verblindt te worden door het licht van de fakkels loopt hij naar voren en gaat tussen Tas en Gaya in staan, wachten op wat er komen gaat.

Dan slaakt de voorste jager een vreugde kreet. Hij draait zich om naar de jagers bij de doorgang en roept ‘Het is goed volk’. Tak wendt zich tot zijn vier metgezellen en zegt ‘Begeleiden jullie de medicijnvrouwen zo snel mogelijk naar de plek waar Nana voor Elm zorgt. Zij kan alle hulp gebruiken. Dan help ik de andere om de slee naar het dorp te brengen.’ Tak geeft zijn fakkel aan een van de jagers die samen met de medicijnvrouwen en Kleintje vertrekken. Tas aarzelt even wat te doen. Bij de mannen blijven of met de vrouwen meegaan. Ze kiest voor het laatste en even later loopt zij  in het donker achter de snel verdwijnende vrouwen aan.

‘Waar is Tork?’, vraagt Zan, wanneer het meisje buiten gehoorsafstand is. Tak haalt zijn schouders op, ‘We hebben hem de hele nacht nog niet gezien. Maar we zijn ook niet naar hem op zoek. Wij bewaken Elm en willen er alleen voor zorgen dat Tork het dorp niet inkomt totdat Elm door de voorouders als dorpswijze is erkent zodat Tork het niet wordt’. Dan grijnst Tak, ‘Maar nu maakt het niet uit of Elm het overleefd of niet. Nu zijn er drie mannen die samen met Tork voor de voorouders mogen verschijnen om tot dorpswijze gekozen te worden. Tork maakt geen kans meer’.

Tevreden wenkt Tak Azel om samen met hem de slee mee te nemen en lopen de vier mannen richting doorgang. Urgh doet zijn best om de andere bij te houden maar al snel raakt hij achterop, buiten de kring van Zan’s fakkel. Hij wil roepen, maar iets houdt hem tegen. Langzaam loopt hij verder, tussen de paar bomen door die langs het pad staan. Er maakt zich een schaduw los tussen  de bomen. Op hetzelfde moment springt er iemand uit de boom, op zijn rug. Urgh bezwijkt onder het gewicht, laat zijn krukken los en valt. Hij slaat met zijn hoofd tegen de grond, voelt hoe zijn belager zijn haar vastgrijpt en zijn hoofd naar achteren trekt, zoals een jager dat bij een beest doet waarvan hij de keel wil doorsnijden. Hij hoort hoe de drie mannen aan komen rennen maar weet dat ze te laat zullen zijn. Dan hoort hij een dof geluid en de hand laat zijn haar los. Verdwaasd richt Urgh zich steunend op zijn handen een beetje op. Bij het licht van Zan’s fakkel ziet hij Tork op het pad naast hem liggen. De man heeft een flinke hoofdwond. Hij ziet het schouderstuk van zijn kruk, de veroorzaker van de wond. Hij kijkt zijn redder in het betraande gezicht en zegt ‘Ahh Tas, dat was precies op tijd’. Dan wordt de wereld zwart.

30. Wachten op de zonsopgang

Met een pijnlijk bonkend hoofd komt Urgh bij. Voor hij kan vragen waar is  hoor hij Tas zegen ‘Schiet op, loop door’.  Bezorgdheid klinkt in haar stem door. ‘Des te eerder een van de medicijnvrouwen naar hem kan kijken, des te beter. Hij blijft veel te lang stilliggen als je het aan mij vraagt’. Voorzichtig maakt Urgh een oog open, dan een tweede. Hij voelt hoe de slee waarop hij ligt met hoge snelheid over de harde ondergrond wordt getrokken. Bij het licht van de sterren ziet hij dat ze bijna bij het vuur van dorpswijze en Nana zijn. ‘Tas’, zegt hij, maar er komt slechts een droog gekras uit zijn mond. Hij probeert het nogmaals. Dit keer lukt het hem wel de naam van het meisje te zeggen. ‘Hij leeft’, jubelt Tas, net op het moment dat de slee de grot van Elm in wordt getrokken. Nana staat bij de grot opening en dirigeert de mannen richting het bed van Urgh. ‘Leg hem daar maar neer’, zegt zij, ‘Dan kunnen Gaya en ik kijken hoe ernstig zijn verwondingen zijn’.

Voorzichtig leggen Tak en zijn mannen Urgh op zijn eigen bed. De mannen zetten de slee bij de ingang van de grot neer en vertrekken naar de plek waar Tork gevangen wordt gehouden. Tak wenkt de reisgezellen van Urgh om mee te lopen naar Elm, die rechtop in zijn bed zit en als huidige dorpswijze op de hoogte gebracht moet worden van de laatste ontwikkelingen in en rond zijn dorp.
Nana en Gaya onderzoeken ondertussen de verwondingen van Urgh. Buiten een flinke bult op zijn hoofd lijkt hij geen verdere schade opgelopen te hebben. Nana pakt een grote bak, gaan op haar hurken naast Urgh zitten en vraagt de jager om te gaan zitten. Voorzichtig, met een bevreemde blik op de bak in de handen van zijn grootmoeder, gaat Urgh zitten. Het levert hem een paar extra bonken in zijn hoofd op, maar verder niets. ‘Mooi’, zegt Nana, wanneer hij een minuut of vijf rechtop heeft gezeten. Ze reikt hem een kleine kom met drank aan en zegt ‘Drink dit op en ga dan maar weer liggen Urgh, je hersens zijn niet door elkaar geschud van de klap tegen je hoofd’.  Gedwee maar bovenal dankbaar volgt Urgh het advies van zijn grootmoeder op.

Wanneer hij weer ligt steekt hij een hand uit naar Gaya die hem al die tijd al zwijgend aan staat te kijken. ‘Kom je even zitten Gaya?’, vraagt hij zachtjes, ‘Zodat we even kunnen praten voordat het hier een drukte van jewelste wordt’. Gaya reageert niet op zijn uitgestoken hand en vraag maar blijft hem aankijken. Dan zegt zij, nauwelijks hoorbaar ‘Ik weet niet of ik onze verbinding wel door wil zetten Urgh. Ik kan er niet tegen je steeds gewond te zien liggen, mij afvragend of je verwondingen je dit keer fataal gaan worden. En als het nu nog ongelukken waren, maar jij lijkt het op te zoeken. Waarom moest jij nu weer in je eentje en als laatste onder die bomen doorlopen. Jij hebt echt geluk gehad dat Tas daar stond, anders was je nu dood geweest’.  ‘Ja maar’, stamelt Urgh in een poging Gaya te kalmeren ‘Als er iemand een bedreiging voor Tork is dan ben ik dat wel, dus ben ik het beste aas. En ik wist dat Tas daar stond. Dat had ik met haar afgesproken’. Zijn woorden hebben niet het gewenste effect. Verre van. Boos gooit Gaya de natte lap die zij in haar handen heeft naar zijn hoofd en stormt boos de grot uit. Urgh probeert op te staan maar Nana houdt hem tegen. ‘Liggen jij’, zegt ze streng. ‘Gezien de bult op je hoofd is het niet verstandig om te lang te gaan zitten of staan en daarbij vraag ik mij echt af hoe het mogelijk is dat zo’n slimme jongen al jij zulke stomme dingen tegen een bezorgde vrouw kan zeggen. Ga eerst maar eens nadenken voordat je iets zegt waarmee je haar nog bozer en verdrietiger maakt’. Onder protest gaat Urgh weer liggen, staart naar het plafond. Zijn gedachten vallen over elkaar heen. Maar niet voor lang, dankzij het drankje van Nana zakken zijn ogen al snel dicht.

Het is Tas die hem een paar uur later zachtjes wakker schudt. ‘Was-er?’, vraagt Urgh. ‘ik moet je van Nana zeggen dat jij je klaar moet gaan maken om voor de voorouders te verschijnen. Nana had het over een bad nemen, scheren en schone kleren aandoen’. Zuchtend gaat Urgh op de rand van zijn bed zitten. Hij maakt de mand naast zijn bed open op zoek naar schone kleding.  De broek, tuniek en voetbescherming die hij vindt is nieuw. ‘Nana heeft voor ons alle drie nieuwe kleding gemaakt, speciaal voor deze dag’, zegt het meisje. ‘Hier zijn je krukken. Zal ik je kleren en je mes dragen? Jij hebt geen handen meer vrij met die krukken’. Dankbaar neemt Urgh het aanbod aan en sukkelt achter het meisje aan richting de warmwaterbron die het dorp rijk is.

Wanneer hij fris gewassen in schone kleren terug in de grot komt ziet hij ook Elm fris gewassen in schone kleding op zijn bed zitten. Dan klinkt de stem van Nana door de grot. ‘Tas, ga je haren vlechten’. Urgh grijnst eens naar zijn zusje. Het lachen vergaat hem al snel wanneer Nana zegt ‘Urgh, kom hier dat ik je haren kort snijdt’. Urgh kijkt zijn grootmoeder aan. ‘Sorry Nana, maar daar begin ik niet aan’, antwoord hij. ‘Dan vlecht je het, net als Tas. Ik wil niet dat je als een Neanderthaler voor de voorouders verschijnt’. Nu is het de beurt aan Tas om in de lach te schieten. Met een chagrijnig gezicht doet Urgh wat zijn grootmoeder van hem verlangd. Even vraagt hij zich af wat Gaya gezegd zou hebben. Dan duwt hij de gedachten aan Gaya weg. Daar is nu even geen tijd voor.

Tak komt de grot binnen. ‘Mannen, medicijnvrouw,  Tas, het is tijd om naar de grote vuurplaats te gaan. Het vuur brandt. De andere zitten al op de voor hun klaargemaakte plaatsen. Beide jonge medicijnvrouwen hebben genoeg voorouder-drank gemaakt voor iedereen. Het wachten is nu nog op jullie dan kan de ceremonie beginnen’.

Na deze woorden draait Tak zich om en loopt weer naar buiten. Nana en Tas helpen Elm opstaan. Gesteund doorNana loopt Elm naar buiten, gevolgd door Urgh met Tas naast zich.  Wanneer de vier mensen bij het vuur aankomen stokt Urgh’s adem. Niet alleen Zan en Azel zitten bij het vuur. Tussen hen in zit ook Tork, met een beschaamd gezicht en zonder boeien.


31 De voorouders hebben gesproken

Urgh neemt naast Zan plaats en Elm gaat naast Azel zitten. Er voegen zich nog wat jonge mannen bij het vijftal. Mannen die de vorige keer te jong waren om deel te nemen. Tas en Nana lopen naar de twee medicijnvrouwen toe en gaan hen helpen met het uitdelen van de voorouderdrank. Wanneer  alle volwassene een slok hebben gehad gaat Nana achter Elm staan. Pew gaat achter haar vader en Gaya gaat achter Azel staan. Nana wenkt Tas om achter Urgh te gaan staan. Nana legt een hand op de schouder van haar zoon en wenkt de andere drie vrouwen om haar voorbeeld te volgen.  Azel buigt zich even richting Urgh en zegt ‘Wat er ook gebeurt Urgh, weet dat mijn vuur jouw vuur is’. Glimlachend knikt Urgh de oudere man toe.

Boven het vuur verschijnen langzaam de gestalten van de voorouders. Onna is daar, net als Joli en Zark. Dan ziet Urgh de lange blonde man, de stamvader van Nana’s bloedlijn. Naast hem staat Ergh, zijn grootvader. De vijf voorouders, drie mannen, twee vrouwen, kijken de kring van mannen rond. Een voor een worden de jonge mannen weggestuurd tot alleen Urgh, Zan, Azel, Elm en Tork nog rond het vuur zitten.  Onna stapt uit de kring van voorouders en gaat pal tegenover Tork staan. De andere vier voorouders volgen haar voorbeeld en zo kijkt Ergh even later neer op zijn zoon Elm, Joli op haar voormalig vuurpartner Zan, Zark op Azel en de blonde stamvader kijkt met priemende blik naar Urgh. Zonder woorden worden door de voorouders vragen op de vijf mannen afgevuurd. De eveneens stille antwoorden worden alleen gehoord door de voorouders, de vijf kandidaten en de vier vrouwen die in direct contact staan met vier van de vijf kandidaten.

Gadegeslagen door de zwijgende dorpelingen is het Tork die als eerste met een kreet zijn ogen neerslaat. Zijn hele houding drukt verslagenheid uit. Bijna gelijktijdig verbreken Zan en Azel het oogcontact met de voorouders voor hen.  Bij beide mannen is van teleurstelling geen sprake. Gespannen volgen zij de ondervraging van Elm en Urgh. Grote zweetdruppels verschijnen op het voorhoofd van Elm. Zijn gezichtsuitdrukking is verbeten. De blik die hij op Urgh werpt is verre van vriendelijk. Urgh lijkt zich van de hele ondervraging en de boosheid van Elm niets aan te trekken. Met een scheve glimlach rond de lippen blijft hij zijn voorvader, de man waar hij zo veel op lijkt, aankijken. Dan slaat Elm zijn ogen neer en zakt vermoeid tegen Nana aan die achter hem staat. Alleen Urgh is nog in gesprek met de voorouders.  Het gesprek duurt en duurt. Dan slaat de voorouder zijn ogen neer en buigt even zijn hoofd richting Urgh. ‘Als dat echt jouw wens is, dan zal het zo gebeuren’, galmt zijn stem door de hoofden van alle toehoorders. Urgh knik tevreden.

Zark neemt het woord. ‘Azel’, zegt hij vriendelijk tegen de vriend van zijn oudste zoon, ‘Ik heb het je de vorige keer al gezegd. Over tien generaties is een man met jouw denkbeelden de perfecte dorpswijze maar nu zijn de dorpelingen nog niet aan jouw ideeën toe. Dat neemt niet weg dat ik je vraag om Urgh met raad en daad bij te staan. Hij zal jouw kennis en denkbeelden in de toekomst nodig hebben’.  De dorpelingen kijken elkaar verbaasd aan. Horen ze het goed, wordt Urgh, de lamme jager hun nieuwe dorpswijze? Er ontstaat een zacht geroezemoes waar Zark met een handgebaar een einde aan maakt.

Glimlachend wendt hij zich tot Zan, zijn oudste zoon. ‘Jouw ideeën over het dorpswijzeschap zijn een beetje achterhaald maar dat weet je zelf ook. Toch zal Urgh in de toekomst veel aan jouw advies hebben. Ben er voor hem als hij je nodig heeft.’ Wanneer Zark naar zijn jongste zoon kijkt verdwijnt de vriendelijke glimlach van zijn gezicht. ‘Tork, ik hoop dat jij beseft dat je nog leeft dankzij je dochter. Als zij je niet tegengehouden had was je nu een moordenaar geweest. Weliswaar door toedoen van een kwade geest die bezit van je had genomen, maar toch. Je weet wat de straf voor moordenaars is’. Met zijn ogen op de grond gericht knikt Tork van ja. Weer steekt er geroezemoes op onder de dorpelingen. Wat was er dan gebeurt die dag dat Tork Elm aangevallen heeft?  Welke kwade geest had Tork in zijn macht? De dorpelingen krijgen geen antwoord.

Wanneer Ergh zich tot Elm wendt maant Zark de dorpelingen wederom tot stilte. ‘Elm, mijn zoon. De afgelopen jaren heb jij jezelf, de dorpelingen en ons proberen te overtuigen van je kwaliteiten als dorpswijze. Jij hebt een aantal onvergeeflijke fouten gemaakt die geleidt hebben tot de acties van Tork. Onder jou leiding is de jachtopbrengst flink teruggebracht. Dit komt omdat jij niet naar Tak, Zan, Urgh of de andere jagers wilde luisteren. Zoon, het is niet verstandig om elke jacht in hetzelfde gebied plaats te laten vinden. Daarmee krijgt het wild geen kans om terug op sterkte te komen. Daarnaast treedt je niet voldoende op tegen de mannen en vrouwen die niets bijdrage aan de welvaart van het dorp. Je wendt je voor advies en raad te veel tot ons, je voorouders, en je luistert te weinig naar je dorpsgenoten. Een verstandig dorpswijze weet dat hij het dorp niet alleen kan leiden.. Denk daar aan jongen.’ Ergh draait zich naar Urgh en vraagt ‘Weet je het zeker Urgh? Is dit echt jouw wens?’ Urgh knikt en zegt dan ‘Ja, mijn besluit staat vast. Ik weet het zeker’. Ergh kijkt zijn kleinzoon nog eenmaal doordringend aan, richt zich nogmaals tot zijn zoon en zegt dan ‘Elm, hierbij benoemen de voorouders jou als dorpswijze.  Denk wel aan wat ik je net verteld heb. Luister naar wat de mensen die er verstand van hebben te zeggen hebben. Luister naar de medicijnvrouwen, luister naar de Tork, Tak, Zan, naar Urgh en Azel. Luister naar Marg, je toekomstige vuurpartner. Luister vooral naar de levenden en kijk wat minder naar de voorouders’.

Alle aanwezige, met uitzondering van Urgh, zijn met stomheid geslagen over de benoeming van Elm. Dan richt de stamvader van Nana’s bloedlijn het woord tot Urgh. ‘Veel succes met je toekomstplannen Urgh. Weet dat een deel van ons met je mee reist, waar je ook naartoe gaat’.  Hij knikt nog eens naar alle aanwezigen en lost dan in rook op even later gevolgd door Zark, Ergh en Joli. Alleen Onna blijft staat nog voor de vijf mannen en vier vrouwen, richt zich tot Gaya en zegt zachtjes, ‘Ik hoop dat je mijn zoon nog een kans geeft Gaya. Weet dat een deel van zijn onvoorzichtigheid voortkomt uit de hoeveelheid medicijnen die Pew en jij hem onafhankelijk van elkaar toedienen.  Verder is en blijft hij een man, dus ja hij zal best nog wel eens iets stoms doen. Dat hoort er nu eenmaal bij’. Hierna wendt zij zich tot Elm en zegt ‘Broetje, tijd om het feest ter ere van je benoeming te openen. Ik zou zelf niet te lang blijven als ik jou was. Je hebt je rust nodig’.

Lachend draait zij zich naar Urgh toe ‘Dat geldt voor jou ook zoon.’ Dan legt zij haar hand op die van Tas die nog altijd op de schouder van Urgh ligt. ‘ Lieve dochter, je weet niet half hoe trots ik op jou ben. Door Urgh te redden heb je niet alleen je vader maar het hele dorp gered’. Onna buigt zich naar haar dochter toe en drukt haar lippen tegen het voorhoofd van het meisje aan’. Dan is het ook voor Onna tijd om te gaan en langzaam verdwijnt zij in de rook van het vuur.

Na nog een snelle blik op Urgh geworpen te hebben staat Elm op, loopt naar het grote vuur en snijdt een plak vlees van een geroosterd everzwijn af. ‘Dorpelingen, ontvang dit vlees als geschenk van jullie nieuwe dorpswijze. Vandaag hoeft niemand honger te lijden. Vandaag, morgen en altijd is er voldoende te eten voor iedereen’. Elm krijgt hulp van de medicijnvrouwen bij het uitdelen van het eten. Wanneer alle dorpelingen loopt Elm naar het kleine vuur, waar Urgh, Zan, Tork en Azel al etend in een geanimeerd gesprek verwikkeld zijn.


32. Omdat…..

Elm laat zich tegenover Tork op de grond zakken en vraagt, met zijn ogen op Tork gericht, ‘Kan iemand mij uitleggen wat er vanavond gebeurt is? Gisteren en vannacht probeerde Tork nog iedereen die mogelijk tot dorpswijze gekozen kon worden te vermoorden en vandaag zeggen de voorouders dat ik naar hem moet luisteren, zeggen de voorouders dat hij geen moordenaar is. En Ergh dan?’ Het is Zan die het woord neemt. ‘Ergh heeft ons uitgelegd dat het niet Tork was die al die dingen heeft gedaan. maar hij. Na zijn ongeluk zoveel manen geleden kon zijn geest zijn lichaam niet meer vinden en tijdens jouw benoeming heeft hij een plekje in het hoofd van Tork gevonden. Na de dood van Onna begon de geest van Tork wat te zwerven en zo kreeg Ergh steeds meer macht over het lichaam van Tork. Op het laatst vergat hij dat hij gast was en dacht hij dat hij Tork was. Maar hij wist nog wel dat hij dorpswijze was, begreep niet waarom jij nu die plek bekleedde en wilde jou daarom vermoorden. Ergh maakte dat Tork doordraaide. Pas toen het lichaam van Ergh dood was, kon hij naar de voorouders toe en kreeg Tork zijn lichaam en geest weer terug.’

 ‘ja maar, ja maar..’, zegt Elm, ‘Bedoel je dat Ergh zichzelf aanviel?’ Tork knikt van ja. ‘Hebben jullie dat allemaal uit de mond van Ergh gehoord’, vraagt Elm. De vier mannen knikken van ja. ‘Hoe kan het dan dat ik dat niet gehoord heb?’ Elm kijkt van de een naar de ander. ‘Weet je nog dat Ergh tegen je gezegd heeft dat jij naar andere moet gaan luisteren’, vraagt Urgh hem. Elm knikt. ‘Dat deed je vanavond niet’, zegt Urgh. Je was alleen met je eigen gesprek, je eigen benoeming bezig. Niet met wat de andere gezegd en te horen hebben gekregen’. ‘Ik heb anders wel meegekregen dat ik tweede keus ben’, snauwt Elm. ‘Waarom wil jij geen dorpswijze zijn. Waarom heb jij geweigerd?’.

Urgh aarzelt even alvorens antwoord te geven. ‘Omdat …. Omdat ik… Omdat ik geen dorpswijze kan zijn in een dorp waar jagers op de niet jagers neerkijken. Waar op mij neergekeken wordt omdat ik niet kan jagen, rennen of zelfs maar lopen zonder hulp. Omdat ik andere plannen heb. Omdat…’ Urgh haalt zijn schouders op en gooit het schoon gekloven bot wat hij in zijn handen heeft op het vuur, pakt zijn krukken en staat op. ‘Ik ga naar bed, mijn hoofd bonkt’. Zwaar steunend op zijn krukken loopt hij weg, nagestaard door de vier mannen. Elm richt zich tot Azel en Zan en vraagt ‘Weten jullie wat zijn plannen zijn?’. Azel en Zan kijken elkaar aan en halen beide hun schouders op. ‘Nee’, zeggen ze tegelijkertijd. Azel begint te gapen en zegt, ‘Ik ga ook maar eens slapen. Het was gisteren een korte nacht’. Hij staat op en verdwijnt richting zijn vuurplaats. Voor Elm iets kan zeggen staan ook Tork en Zan op en met een ‘Goedenacht dorpswijze’ verlaten zij het vuur.  Ineens staan Nana, Gaya , Pew en Tas bij hem. ‘Elm’, zegt Nana, het is voor jou ook tijd om te gaan slapen. Tas en Pew zullen met je meelopen naar onze grot. Gaya en ik blijven hier om het feest in goede banen te leiden’. Elm wil protesteren maar een blik op het gezicht van zijn moeder maakt hem duidelijk dat dat geen goed idee is.

Samen met Tas en Pew loopt hij terug naar de grot waar hij al zijn hele leven woont. Er branden geen fakkels. Het enige licht komt van een klein vuur bij zijn moeder’s werkplaats. Voor de rest is de grot donker. En leeg realiseert Elm zich, net voordat hij in slaap valt.


33. Ik spreek namens Elm

Het is al licht wanneer Elm zijn ogen weer open doet. Rondom het vuur vlakbij de ingang van de grot ziet hij Tork, Tak, Azel, Zan, Marg, Yali, Tas, Pew, Nana, Gaya en Urgh zitten. De elf mensen zijn druk in gesprek. Hij probeert mee te luisteren maar ze praten te zachtjes. ‘He’, roept hij, ‘ Waar hebben jullie het over?’. Het is zijn moeder die op hem af komt een kom drinken die klaarstaat pakt en hem wat te drinken geeft.  Elm drinkt de kom dankbaar leeg. ‘Waar hebben jullie het over?’, vraagt hij nogmaals, maar voor zijn moeder hem kan antwoorden valt hij weer in slaap. Nana voegt zich weer bij het gezelschap en het gesprek gaat verder. Een paar uur later is alles besproken wat besproken moet worden. Zan, Tak, Tork en Azel verlaten de grot om de dorpsbewoners wederom bij elkaar te roepen. Dit keer worden de grote kookvuren niet aangestoken.

Wanneer alle dorpsbewoners zich voor de grot van Elm verzameld hebben komt Urgh op zijn krukken naar buiten. Hij neemt plaats op de slee die Azel voor de grot heeft gezet. ‘Beste dorpsbewoners’, begint hij, ‘De verwondingen van Elm zijn hevig, de dag van gisteren was zwaar. Daarom kan hij jullie niet zelf toespreken. Ik spreek namens Elm. Dit is zijn wil’. Na dit gezegd te hebben kijkt Urgh de kring van dorpsbewoners rond. ‘Omdat het feest van gisterenavond een grote bres in de toch al kleine voedselvoorraad van het dorp heeft geslagen moeten wij de voorraden zo snel mogelijk aanvullen. Iedereen moet hier aan meehelpen. Ik ga jullie allen een leider en een taak toebedelen. Luister naar de woorden van Elm en wanneer iedereen een taak heeft gaan jullie met je leider mee voor nadere uileg. Is dat duidelijk?’ De dorpsbewoners knikken van ja of mompelen wat.

Willen alle jagers opstaan’. Na wat geschuifel staan er 20 mannen op. ‘Jullie’, en hierbij wijst Urgh naar een tiental mannen, ‘Vertrekken morgen samen met Tork naar het Westen om te jagen. Jullie zullen twee dagen lopen, een dag jagen en komen zodra alle buit gevild en uitgebeend is weer naar huis’. Urgh kijkt een oude jager, die al een aantal jaren niet meer mee is geweest met een jachtpartij aan en vraagt ‘Wat denk je Oz, zou jij nog met de jagers mee op kunnen lopen?’ Oz knikt van ja. Urgh richt zijn blik op Frag, een jongen van een winter of 12. ‘En jij?’, vraagt hij aan de jongen. Frag begint te glunderen en piept ‘Ja, dat kan ik wel’. Urgh glimlacht even en zegt dan ‘Jullie zullen met de groep van Tork meelopen. Zodra de jagers de eerste buit binnen halen beginnen jullie met uitbenen. Frag, let goed op wat Oz doet, en luister goed naar hem. Hij weet waar hij het over heeft’.

‘Jullie’, zegt Urgh, en hierbij knikt hij naar de 10 jagers die nog staan, ‘Zullen morgen onder leiding van Tak naar het Noorden gaan. Jullie zullen drie dagen lopen, een dag jagen en zodra de buit gevild en uitgebeend is terug keren naar het dorp. Ink en zijn kleinzoon Krap zullen met deze groep meegaan en beginnen met het uitbenen van de buit’. Verheugd loopt Krap op Tak, zijn vader, af. ‘Fijn dat  ik met jullie mee mag Tak. Ik zal je niet teleurstellen’. Tak lacht zijn enthousiaste zoon vriendelijk toe.

Urgh kijkt naar de groep mensen voor hem. Er zitten nog een paar oudere mannen zonder taak, voor de rest zijn het vrouwen en kinderen. ‘De jagers’, zegt hij dan, ‘Zijn niet de enigste die voor voedsel kunnen zorgen. De vrouwen beginnen met het verzamelen van groenten, kruiden, granen, fruit en zaden. Willen alle vrouwen die momenteel geen kind zogen opstaan’. Al snel staan er een dertigtal vrouwen van verschillende leeftijden voor hem.  Hij wijst vijf vrouwen aan en zegt ‘Jullie gaan morgen onder leiding van Yali naar het zuiden om groenten en zaden te verzamelen. Meow is handig met de slinger en gaat met jullie mee om jullie te beschermen en eventueel wat klein wild te vangen’.
‘Jij, jij, jij, jij en jij’ wijst Urgh, ‘Gaan met Marg en Pew mee om kruiden te zoeken. Jullie zullen naar het westen gaan. Pew is niet alleen medicijnvrouw en weet welke kruiden jullie moeten plukken, maar zij is ook een goed jager’.

‘Jullie’, en weer wijst Urgh een vijftal vrouwen aan, ‘Zullen samen met Tas en Zoe naar het noorden reizen om fruit te zoeken. Het meeste fruit zal oud en rimpelig zijn, maar wanneer je het kookt is het nog goed eetbaar. Daarnaast zullen jullie ook naar zaailingen zoeken zodat we wat fruitbomen aan de rand van het dorp kunnen planten’. Hij wijst drie jongens van een jaar of twaalf aan. ‘Jullie gaan mee om de zaailingen te dragen. Bedenk wel, Tas heeft de leiding en Zoe zorgt voor de veiligheid van de de groep. Luister naar hen beide. Zo niet, is dit de laatste keer dat jullie mee mogen’.

Urgh kijkt naar de laatste 8 vrouwen die voor hem staan. ‘Aan jullie de eer om morgen, onder leiding van Nana, te beginnen met het controleren van resterende voedsel voorraad in de putten. Dat betekend leegmaken, putten schoonmaken en daarna het voedsel sorteren in houdbaar, nu opmaken of weggooien. Wanneer jullie daar mee klaar zijn, kunnen jullie beginnen met het bereiden van het voedsel wat snel bereid moet worden’.

Een van de vrouwen die een klein kind zoogt steekt haar hand op. ‘Wat moeten wij zogende vrouwen doen Urgh?’, vraagt zij. ‘Jullie letten niet alleen op je eigen kleintjes, maar ook op die van de vrouwen die morgen voedsel gaan verzamelen’.  De vrouw knikt tevreden. En niet alleen zij. Ook de moeders met kleine kinderen die op pad moeten zijn blij met dit antwoord.

Urgh kijkt de groep rond en zegt dan ‘Wil iedereen die ouder is dan tien winters en nog geen taak toebedeeld heeft gekregen de hand opsteken’. Acht jongens, negen meisjes en vijf oude mannen steken hun hand op.  ‘Jullie’, en hierbij wijst Urgh naar vier  jongens, ‘Gaan morgen met Zan naar de oefenplaats waar hij zal gaan beginnen met jullie de eerste kneepjes van het jagersvak bij te brengen. Jullie vier’, vervolgt hij met een knikje in de richting van de jongens, ‘Gaan met Azel mee om de houtvoorraad van het dorp aan te vullen’. De vier laatste jongens trekken een teleurgesteld gezicht. ‘Niet simmen’, zegt Urgh met een glimlach, ‘Overmorgen wisselen jullie van leider, dan mogen jullie leren jagen en gaan de andere hout hakken’. De gezichten van de jongens klaren meteen op.

‘Jullie meisjes’, zegt hij, ‘Zullen van Gaya leren hoe je eenvoudige medicijnen kunt maken, maar ook hoe je vlees en vis moet bereiden zodat het langer goed blijft’.  Dan trekt hij een vies gezicht. ‘De oude omes en ik zullen morgen beginnen met het schoonmaken van de uitbeenplaats hier bij het dorp.  De stenen moeten geschuurd worden en alle rommel die er om heen ligt moet opgeruimd en verbrand of begraven worden’.

Urgh kijkt nog eenmaal de groep rond en zegt ‘Ik heb gesproken namens Elm. Ga nu met je leider mee om te horen wat je morgen precies moet doen. Zorg dat Elm trotst op jullie kan zijn’. Gezeten op de slee kijkt Urgh met Nana aan zijn zij de opgewonden dorpsgenoten na. Dan zegt hij zachtjes tegen zijn grootmoeder ‘Ik hoop wel dat Elm morgen tot halverwege de ochtend blijft slapen want anders hebben we een probleem’.

Nana werpt de lange man naast haar een lachende blik toe. ‘Maak je maar geen zorgen Urgh, dat komt wel goed. Bovendien denk ik dat Elm de wijsheid van jouw plannen wel inziet.  Hij is niet dom’. ‘Nee’, zegt Urgh, ‘Hij is niet dom. Maar of hij er blij van wordt dat ik van de oudere mannen en vrouwen landbouwers wil maken weet ik niet’. Dan lacht Urgh zachtjes en zegt ‘Dat hij van de oudere mannen en vrouwen landbouwers wil maken bedoel ik natuurlijk. Maar we moeten wel willen we overleven nu het wild schaarser aan het worden is’. Met een diepe zucht loopt Urgh naar de uitbeenplaats, de plek die hij zo lang gemeden heeft, om het werk van de volgende dag toe te lichten en de taken te verdelen.


34. Elm wordt bijgepraat

De zon is al ver over haar hoogtepunt heen wanneer een van de kleine kinderen op Urgh afrent en zegt ‘Urgh, ik moest je van de Medicijnvrouw komen zeggen dat Elm wakker wordt’. Dankbaar legt Urgh de steen waarmee hij de grote steen van de uitbeenplaats aan het schoonschuren is neer. Zijn handen en schouders doen pijn van het zware en ongewone werk maar ze zijn goed opgeschoten met schoonmaken. Alle botten en stukken huid die rondom de plaats rondzwierven zijn op het grote vuur gegooid en er hoeft nog maar een klein stukje van de grote steen geschuurd te worden. ‘Omes’, zegt hij, onderwijl zijn krukken pakkend, ‘Ik ben trots op jullie. De uitbeenplaats ziet er bijna weer uit zoals een uitbeenplaats er uit hoort te zien. Ik vertrouw er op dat jullie dit laatste stukje ook nog schoonmaken.’ Langzaam draait hij zich om en loopt richting de grot van Elm.  Nana, de oude medicijnvrouw staat hem al op te wachten. Samen gaan ze de grot binnen waar Elm, net zijn ogen open slaat.

Zwijgend helpt Nana hem een beetje overeind en geeft hem wat te drinken. ‘Ik heb honger’, mompelt Elm. Nana staat op en komt even later terug met een kom dunne soep. Dankbaar neemt Elm de kom aan en drinkt wat van het vleesvocht. Dan steekt hij zijn neus in de lucht. ‘Wat stinkt er zo?’, vraagt Elm. Urgh snuift even. Na de hele dag tussen de vuren bij de uitbeenplaats enerzijds en de voedselopslag anderzijds te hebben gestaan ruikt hij het niet eens meer. ‘Dat zijn de oude botten bij de uitbeenplaats die verbrand worden’, zegt hij. ‘En de bedorven voedselvoorraden’, voegt Nana er aan toe, ‘Ook die zijn allemaal het vuur opgegaan en de voedselputten zijn schoongemaakt’. Elm laat bijna de kom me soep vallen. ‘Dan hebben we niets meer te eten’, reageert hij geschrokken. ‘Het meeste voedsel in de voedselputten was bedorven. Ik durfde het alleen niet weg te gooien omdat dan het hele dorp dat zou zien’.

‘Het hele dorp weet het nu’, antwoord Urgh, ‘Ik heb het ze gisteren uit jouw naam verteld’. Elm zet de kom soep aan de kant en kijkt Urgh woedend aan. ‘Probeer jij mij zwart te maken bij de dorpelingen?’, zegt hij kwaad. ‘Urgh schudt van nee. ‘Nee Elm, dat probeer ik niet. Ik wil juist..’. Elm laat hem niet uitspreken. Dan grijpt Nana in. ‘Elm’, zegt zij streng, ‘De voorouders hebben de dorpsbewoners duidelijk gemaakt dat jij fouten hebt gemaakt tijdens je eerste paar jaren als dorpswijze. Azel, Zan, Tork, Tak en Urgh hebben een plan bedacht om de dorpsbewoners zo snel mogelijk weer vertrouwen in jou te laten krijgen. Daarom heeft Urgh gisteren namens jou de dorpsbewoners toegesproken en is iedereen die ouder is dan tien winters aan het werk gezet om het dorp op te ruimen en de voedsel- en houtvoorraad weer op peil te krijgen’. Nana pakt de kom soep op, geeft die aan haar zoon met de opdracht die leeg te drinken en begint te vertellen welke opdrachten er gisteren uitgezet zijn.  Nog steeds kwaad luistert Elm naar haar verhaal. Langzaam komt hij tot bedaren. Zoals Urgh de dag ervoor al heeft gezegd ‘Elm is niet dom’.

Nana is nog niet uitverteld wanneer de de kleine boodschapper binnen komt. ‘Tas en Zoe komen er aan met manden met fruit en zaailingen. En Tas heeft ook goed gejaagd’. ‘Zaailingen?’, vraagt Elm, terwijl Nana samen met de kleine boodschapper de grot uitloopt. Hij kijkt Urgh aan. ‘Slim idee. Als de bomen groot genoeg worden en fruit dragen, hebben we altijd voorraad in de buurt’. ‘Dat is inderdaad het idee’, zegt Urgh. ‘Ik zat te denken om dat grote open terrein achter de uitbeenplaats er voor te gebruiken, maar jij bent onze dorpswijze, dus wanneer jij een beter idee hebt..’. Elm kijkt de lamme jager even peinzend aan. ‘Waarom niet op die grote open vlakte bij de ingang van het dorp?’, vraagt hij dan. Urgh aarzelt even en zegt dan ‘Dat is ook een goede plek, lekker beschut. Vandaar dat we daar diverse graansoorten en groentes willen zaaien’.

‘GRANEN! GROENTES!’, schreeuwt Elm, ‘Fruitbomen Oke. Maar Granen en Groentes. Wij zijn jagers, geen geen… ‘. Urgh schiet in de lach. ‘Landbouwers bedoel je denk ik Elm. Maar we blijven ook jagers. Maar jij weet net zo goed als ik dat er genoeg Omes en Tantes zijn die niet meer kunnen jagen of verzamelen, maar wel voor zaailingen, granen en groentes kunnen zorgen, of kunnen helpen bij het koken en zo bij kunnen dragen aan de voedselvoorziening van het dorp. Zich nuttig kunnen maken. Ik weet als geen ander hoe het voelt als je daar niet meer aan mee kunt werken. Geef de Omes en Tantes die kans. Ze hebben vandaag zo hard gewerkt, zich zo nuttig gemaakt’. Elm kijkt hem peinzend aan. ‘We zullen zien Urgh, we zullen zien’.

Nana loopt de grot weer in. ‘Elm’, zegt zij zachtjes, ‘De ene na de andere groep dorpsbewoners keren met volle manden voedsel en houtvoorraden terug in het dorp. Vanavond zullen wij weer, net als in de tijd dat ik jong was, met het hele dorp rondom hetzelfde vuur zitten en allemaal hetzelfde eten. Vanavond zal er weer geen verschil zijn tussen jager en verzamelaar, tussen jonge mensen en oude mensen. Vanavond zijn wij weer een volk. En vanavond maak jij de nieuwe opdrachten voor morgen bekend. Urgh en ik zullen je daarbij helpen. En nu… nu gaan jullie beide naar de warmwaterbron om je te wassen. De Omes die Urgh geholpen hebben met het schoonmaken van de uitbeenplaats zijn daar ook al.’

Nagekeken door Nana lopen beide mannen samen naar de grot met de warmwaterbron. Tot nu toe heeft haar zoon minder geprotesteerd dan zij had verwacht. ‘Stilte voor de storm of… heeft hij het echt begrepen?’, vraagt zij zich af.


35. Een oud plan herleefd

Die avond, tijdens het eten, is het Elm die de dorpsgenoten toespreekt en jong en oud bedankt voor het werk wat zij die dag verzet hebben. Dan worden de taken voor de volgende dag verdeelt. Elm deelt zichzelf in een van de teams in om zo zijn kennis van het land rondom het dorp en de dorpsbewoners te vergroten. Nog voor het donker wordt gaan de eerste mensen al slapen, vermoeid als zij zijn van de ongewone taken die zij hebben uitgevoerd en met de wetenschap dat zij de volgende dag weer vroeg op pad moeten.

Wanneer de volgende morgen de rust weder is gekeerd in het dorp beginnen de vrouwen die verantwoordelijk zijn voor de voedselbereiding en nu nog niet aan de slag hoeven aan het opruimen van de grond rondom de grote vuurplaats. Urgh en Nana  gaan met de oude Omes naar de vlakte bij de ingang van het dorp en planten de eerste zaailingen. ‘s-Avonds, voordat er gezamenlijk gegeten wordt bespreken zij samen met Elm, Zan, Tas, Gaya, Azel en Marg de team- en taakverdeling zodat Elm deze aan de dorpsbewoners kan mededelen.

Aan het eind van de vijfde dag zijn het Nana en de Omes die Tork en zijn jagers een warm welkom wensen wanneer zij beladen met hun buit bij de uitbeenplaats aankomen. Terwijl de jagers door Nana naar de warmwater bron worden gestuurd lopen de Omes en zij het vlees na of het goed uitgebeend en schoongemaakt is. Met de hulp van de vrouwen die over de voedselbereiding gaan begint het drogen van het vlees. Die avond schuift ook Tork aan bij de voorbespreking van de taakverdeling.  ‘Houdt de helft van de jagers morgen hier om de vrouwen te helpen met de vleesbereiding en om te beginnen met het schoonmaken van de huiden, en verdeel de andere helft van de jagers over de teams om voedsel te zoeken. Die kennis gaat hun van pas komen tijdens de jacht.’ Een prima plan, vindt Nana. ‘Dan kunnen een aantal van de vrouwen thuis blijven en beginnen met het opruimen van de eigen grotten’.

Wanneer Tak en zijn mannen twee dagen later beladen met buit in het dorp terugkeren wordt het zelfde plan gevolgd. Ook zijn jagers gaan mee voedsel zoeken, hout hakken, de jonge jongens leren jagen en helpen bij het bereiden van het voedsel. Twee dagen na thuiskomst van Tak en zijn mannen vertrekken Tork en zijn jagers weer voor een korte jachtpartij, even later gevolgd door die andere teams.

Die avond, tijdens de voorbespreking is het Urgh die het woord neemt. ‘De dorpsbewoners doen goed hun best en beginnen hun taken door te krijgen. De voedselvoorraad is behoorlijk gegroeid maar we zitten nog aan het begin van het groeiseizoen. Er zal dus nog veel meer voedsel komen, van betere kwaliteit. Toch denk ik niet dat het nu al wijs is om met kleinere teams te gaan werken, om meer mensen in het dorp te houden. Nu zat ik te denken… Onze tent met spullen staat nog altijd een halve dag lopen hier vandaan. Daar vlakbij hebben Azel en ik een grot ontdekt die perfect voor bewoning lijkt. Een rivier voor de deur, schapen tussen de bomen boven de grot, ruimte voor een boomgaard maar ook ruimte om groenten en zaden te zaaien. Denk ik. Maar dat weet ik niet zeker. Graag zou ik morgen samen met de teams van Azel, Zan en Tas eerst de tent op gaan halen om daarna verder te gaan met de grot inspectie en de mogelijkheden die het land daar biedt. Ik wil ongeveer een  week wegblijven. We hoeven slechts voor een dag eten mee te nemen, daarna kunnen we voor onszelf zorgen weet ik uit ervaring’.

Elm kijkt hem peinzend aan.  ‘Jij wil dus een nieuw dorp stichten’, zegt hij. ‘En dorpswijze worden. Maar als jij alle jonge mensen meeneemt, dan krijgt dit dorp over een paar jaar problemen met de voedselvoorziening. Is dat je plan?’. Urgh schudt van nee. ‘Nee Elm, waarom denk je dat ik de Omes en Tantes ook aan het werk heb gezet? De grot ligt denk ik twee tot drie uur lopen hier vandaan. Als de grot en de omgeving echt geschikt zijn voor bewoning wil ik niet alleen wat jonge mensen daar mee naar toe nemen, maar ook een of twee gezinnen en een aantal van de Omes en Tantes. Om mee te werken in de boomgaard, om op de kleintjes te letten, om op de schapen te letten, om vis te bereiden, om van Azel te leren hoe je hout en stenen moet bewerken … Dan wordt de grot een deel van dit dorp alleen wat verder weg’.

‘Ik vind het een goed idee’, zegt Nana. ‘Ik zou Gaya en Yali meenemen. Die kunnen beter dan een stel mannen en jonge meisjes beoordelen of de grot en haar omgeving inderdaad voor bewoning geschikt zijn. En Gaya heeft verstand van schapen. Marg kan dan het team van Yali overnemen en ik zal op het team van Gaya letten. Verder denk ik dat slechts de helft van de teams van Azel en Zan mee moeten gaan  anders zijn jullie met te veel mensen en loop je elkaar voor de voeten. De jongens die hier blijven kunnen dan als extra jagers aan de vrouwenteams toegevoegd worden.’ Urgh werpt zijn grootmoeder een dankbare blik toe. Nu zij zijn plan steunt heeft hij alle hoop dat Elm ook overstag gaat. Elm lijkt nog even te aarzelen, zegt dan, ‘Ik vind het goed maar zorg wel dat jullie voor de zomerzonnewende terug zijn. Dan is het feest in het dorp. Het HELE dorp’. ‘Doen we’, zegt Urgh, terwijl hij opgelucht adem haalt.

De volgende morgen is het Urgh die samen met zijn team als eerste het dorp verlaat. Op weg naar de tent, op weg naar de grot, op weg naar de toekomst.


36. Aankomst bij de grot

Eenmaal buiten het zicht van het dorp wenkt Azel naar de jongens die de slee voorttrekken dat zij moeten stoppen. ‘Urgh’, zegt Zan, ‘Azel en ik zijn van mening dat jij er goed aan doet om plaats te nemen op de slee. Het is voor jou een te lange tocht eerst naar de tent en dan door naar de grot’. Even lijkt het er op dat Urgh tegen wil sputteren maar dan neemt hij plaats op de slee.

Zonder problemen bereiken ze het oude kamp. De tent is nog intact en alle spullen die zij achter hebben gelaten zijn er nog. Onder leiding van Zan en Azel breken de jongens de tent af en pakken alle spullen op de slee terwijl Gaya en Yali met behulp van de overige vrouwen wat te eten klaarmaken. Een goed uur later vertrekt het gezelschap richting de grot. Net als de vorige keer laat Urgh zich in het water zakken. Zan, Yali en Tas dragen zijn kleding en zijn krukken en lopen gelijk met hem op over de oever. De rest van het gezelschap, onder leiding van Gaya en Azel komen met de beide volgeladen sleden een stuk langzamer vooruit.

Bij de strand voor de grot aangekomen is het Zan die een fakkel maakt. Met z’n vieren lopen ze de grot in. Urgh wijst waar de doorgang naar de tweede grot is en even later staan de vier mensen ademloos rond te kijken.  ‘Wat denk je Yali?’, vraagt Urgh, ‘Is deze grot bewoonbaar?’.  Yali kijkt hem aan en zegt dan “Dat bespreek ik eerst met de andere dames Urgh’. Maar het is hier wel prachtig’.

Een half uur later voegt de rest van het gezelschap zich bij hen in de grot. De ‘oh’s’ en ‘ah’s’ zijn niet van de lucht. Het is Azel die, praktisch als altijd, het gezelschap naar buiten dirigeert richting de weide om de tenten op te zetten en een tijdelijk kamp te maken.  Samen met Rag, een van de jongens, Zoe en Tas gaat Urgh terug naar het strand in een poging wat vis te vangen en eventueel een paar eenden te verschalken. Het blijkt kinderlijk eenvoudig en al snel komen de vier mensen beladen met buit terug naar de weide waar de tenten al klaar staan. De vrouwen die met Yali en Gaya mee zijn gekomen nemen de vis en de eenden aan en beginnen met slachten en bereiden.

Een paar uur later zit het volledige gezelschap pratend en lachend rondom het vuur te eten. Het is Zan die vraagt ‘En Urgh, wat zijn de plannen voor morgen?’.  Urgh aarzelt even. Het is zo veel gemakkelijker om namens Elm te praten dan namens zichzelf. Maar dan begint hij de taken uit te leggen en mensen toe te wijzen. Net alsof hij namens Elm praat.


37. De vraag wordt herhaald

Het is nog vroeg wanneer Urgh de volgende morgen wakker wordt met de zon in zijn ogen. Samen met Kleintje loopt hij naar het strandje, kleedt zich uit en gaat al stoeiend met Kleintje het water in. Na een tijdje vindt Kleintje het welletjes geweest, verlaat het water, schudt zich uit en gaat in de zon liggen met zijn oren waakzaam omhoog. Urgh zwemt wat verder de rivier in en bekijkt van een afstand de grot, zijn grot. De grot die in de ogen van de dames pas geschikt is voor bewoning wanneer de doorgang tussen de beide groten groter is dan hij nu is.  Volgens  Yali en Gaya zou een zwangere vrouw niet door de opening kunnen lopen. Azel betwijfelt of vuursteen hard genoeg is om het voor elkaar te krijgen om de opening groter te maken. Het is dat Zan, Tas en Zoe erg tevreden zijn over de hoeveelheid wild die hier zit, de beschutting van de plek en de hoeveelheid schapen anders was de teleurstelling voor Urgh te groot geweest.

Ineens hoort hij iemand zijn naam roepen. Hij kijkt en ziet Tas enthousiast staan springen aan de rand van de weide. Zij wijst naar de rotsformatie die als een natuurlijke pier hem het zicht op het volgende strandje ontneemt en gebaart hem er omheen te zwemmen. Dan loopt zij weer weg.

Terwijl hij zich bewust wordt van zijn omgeving realiseert Urgh zich dat hij langer dan gedacht in het water ligt. Aan de stand van de zon te zien is het al bijna midden op de dag. Hij fluit Kleintje die het water weer in springt. Voorzichtig zwemt Urgh samen met de wolf richting de rotsen, op zoek naar een plekje waar zij over de rotsen heen kunnen kruipen of er omheen kan zwemmen. Wanneer hen dat eindelijk lukt en hij het volgende strand ziet staat Tas al te wenken dat zij nog verder moeten, voorbij de bocht in de rivier.

Eenmaal voorbij de bocht in de rivier valt zijn mond open. Hij ziet niet een grotopening, hij ziet er wel vijf. Met krachtige slagen zwemt hij naar het strandje waar Yali al klaar staat met zijn krukken. ‘Goed idee van jou Urgh’, zegt zij, ‘Om ook de volgende strandjes te gaan bekijken.  Deze groten zijn wel geschikt voor bewoning door een of twee gezinnen en de weides er boven zijn net zo goed beschut als die boven jouw grot’. Samen, met een wolf die rond hun benen dartelt, lopen ze over het met vuurstenen bezaaide strand richting de strook zand en een natuurlijk pad naar boven.

Na inspectie van de grotten kan Urgh niet anders dan de vrouwen gelijk te geven. Elke opening leidt naar een grot met daarin twee, drie of vier ruime openingen naar achtergelegen grotten waarvan sommige voorzien zijn van grote en kleine nissen. Alle grotten eindigen bij een klein ondergronds stroompje. Wanneer Urgh klaar is met zijn inspectie staat Zan voor hem. ‘Ik stel voor dat Azel, Yali samen met de jongens en de vrouwen de tenten en de voorraden gaan halen. Tas, Zoe, Gaya en ik gaan dan het avondeten vangen terwijl jij nadenkt over de beste grot-indeling. ‘Ik de grot-indeling maken’, zegt Urgh, ‘Dat kunnen we toch beter met z’n alleen doen?’ ‘Nee’, zegt Yali, ‘Jij bent de wijze van deze grotten, jij bepaalt de indeling’. Even later ziet Urgh de beide groepen vertrekken. Het is Tas die zich nog even omdraait en hem toe roept ‘En Urgh, de mooiste grot is voor jou! Vergeet dat niet’.

Dan zijn Urgh en Kleintje alleen.  Urgh loopt nogmaals de vijf grotten in en uit om te beoordelen wie waar gaat slapen, nee, gaat wonen.  De twee grotten met slechts twee achterliggende grotten zijn zo verdeeld. De grot het dichts bij het pad naar de weide is voor Kleintje en hem. De ander, het dichts bij het strand is voor Yali en Azel zodat Azel en ruimte heeft om te werken, en de grondstoffen dicht bij zich heeft.

De grot naast die van hem met de drie achterliggende grotten is voor Zan, Tas en Zoe. De andere twee grotten kunnen goed dienst doen als mannen en vrouwen grot. Tevreden over zijn beslissing gaat Urgh voor zijn grot op de grond zitten en kijkt uit over het water. Daar zit hij nog wanneer de verzamelaars terug komen met het eten. Hij vertelt hen welke indeling hij heeft bedacht. ‘Da’s een goeie’, zegt Tas, ‘Maar euh, waar moet Gaya slapen? In de vrouwengrot?’.

Urgh’s wangen en oren krijgen een diepe rode kleur en dan zegt hij, ‘Dat kan, maar ik zou het erg prettig vinden wanneer Gaya mijn grot wil delen’. Hij kijkt de medicijnvrouw recht in de ogen en zegt ‘Ik weet dat Onna je gevraagd heeft mij nog een kans te geven. Ik wil mij daar bij aansluiten. Gaya, zou jij mijn vuurpartner willen worden?’.  Voor Gaya antwoord kan geven komen Azel, Yali samen met de jongens en de vrouwen het pad opgelopen.


38. De valpartij

Even later herhaalt Urgh de grot-indeling waarna iedereen zijn / haar slaapspullen pakt om in de aan hen toegewezen grot een plekje te zoeken.

Wanneer Gaya met een slaaprol de kant van zijn, nee hun, grot oploopt slaat Urghs’ hart over. Dan ziet hij dat het zijn slaaprol is. Langzaam loopt hij achter haar aan de grot in. Voor hij iets kan vragen zegt Gaya, terwijl zij zijn slaaprol uitspreidt, ‘Het antwoord is ja, Urgh. Ik wil graag je grot delen. Maar nu nog niet. Pas na de ceremonie, na het uitwisselen van de giften. Tot die tijd slaap ik, net als in het dorp, in de grot van Azel en Yali’. Gaya draait zich om en kijkt hem aan. ‘En jij moet nieuwe afspraken met Azel maken. Volgens de onderhandelingen zouden we aan zijn vuur gaan wonen, en zou jij hem gaan helpen. Dat zie ik nu niet meer gebeuren, nu jij de Wijze van Grotten bent. Gaya zwijgt even en vraagt dan ‘Kan jij het hier mee eens zijn Urgh?’. De grote man knikt stralend van ja. Die zestien manen tot aan de ceremonie kan hij nog wel wachten nu hij weet dat Gaya zijn vuurpartner wil worden’. ‘Ja Gaya’, zegt hij, ‘Daar ben ik het mee eens en ik beloof je om eerst na te denken voordat ik iets stoms doe’.

Lachend slaat Gaya haar armen om Urgs’ middel. ‘Maak geen beloftes die je niet kunt houden Urgh’, zegt ze dan, terwijl Urgh zijn rechterkruk laat vallen om zijn rechterarm om haar heen te slaan en de vrouw stevig tegen zich aan te drukken. ‘Ik ga mijn best doen’, zegt hij dan, ‘Echt Gaya, ik ga mijn best doen. Tenslotte heb ik nu een hele goede reden om niet versneld naar de voorouders te willen gaan’. Urgh begraaft zijn gezicht in Gaya’s haren. Stil staan ze dicht tegen elkaar aan.

Veel te snel worden ze gestoord door Kleintje die de grot in rent en enthousiast tegen beide mensen aanspringt om er daarna vrolijk yelpend weer vandoor te gaan. Gaya bukt zich en raapt de gevallen kruk van Urgh op. ‘Ik ga mijn eigen slaapplek maar eens in orde maken’, zegt zij en huppelt de grot uit, op de voet gevolgd door Urgh. Ze komen niet ver. Voor de grot staan Zan, Azel, Yal en Tas op hun te wachten. ‘Hèhè, eindelijk’, zegt Zan, terwijl Yali Gaya vastpakt en haar stevig knuffelt. ‘Ik dacht dat het nooit meer goed zou komen’, zegt Tas terwijl Azel gelijktijdig ‘Goed gedaan jongen’, zegt. De vijf mensen schieten in de lach. ‘Dit is mooi nieuws om vanavond, voor het uitdelen van de opdrachten voor morgen, aan de rest van de aanwezige mede te delen’, zegt Yali. Een verbintenis bij de start van een nieuw dorp of kamp is een goed teken. Maar nu moeten we eerst zorgen voor eten voor vanavond en dat alle spullen opgeborgen worden. Ik stel voor dat Azel en de jongens dadelijk een grote vuurplaats boven op de weide maken, dan kunnen wij daar beginnen met koken’.  Met die woorden loopt Yali weg.

Die avond, na het eten maar voor het verdelen van de taken neemt Zan het woord. ‘Ik wil jullie even laten weten dat tijdens de zomerzonnewende-ceremonie mijn zorgzoon Urgh en Azel’s vuurdochter Gaya zich zullen verbinden’. Het bericht wordt met gejoel, handgeklap en voetgestamp begroet. Iedereen is enthousiast. Bijna iedereen. Ineens springt Sim, de zus van Yali op, gaat met ogen die vuur spuwen voor hem staan en roept ‘Ben jij onze verbintenis-belofte vergeten Urgh?’ “WAT!’, roept Gaya maar voor zij meer kan zeggen is Yali daar. ‘Stil jij’, zegt zij tegen Gaya. Yali grijpt Sim bij haar schouders en schudt haar stevig door elkaar. ‘Urgh is niets vergeten Sim, jij bent iets vergeten. Jij wilde niets met een lamme te maken hebben, weet je nog. Jij wilde je niet verbinden met een man die nooit meer zou kunnen lopen. Die nooit meer een jachtleider zou zijn. Die misschien het  hulpje van een vakman kon worden. Jij hebt zelfs jullie kind weg laten halen zodat niets in je leven je nog aan Urgh zou herinneren. En nu wil je Urgh daar de schuld van geven? Jij had niet eens het fatsoen te wachten totdat hij ver genoeg opgeknapt was dat hij je kon antwoorden. Jij kon niet eens wachten tot het moment van de nieuwe onderhandelingen.  Je gooide het voor zijn voeten terwijl hij voor zijn leven aan het vechten was’. Yali geeft haar zus een stevige draai om haar oren en zegt ‘Morgen pak jij je spullen en gaat terug naar het dorp. Jij hebt hier niets maar dan ook niets te zoeken’.

Woest rukt Sim zich los uit de greep van haar zus. ‘Ik wacht niet tot morgen, ik ga nu al’, gilt zij, terwijl zij het pad af rent, op weg naar de middelste grot. In haar haast zet zij haar voet op een stuk vol grind neer. Het grind begint te schuiven, Sim verliest haar evenwicht en met een ijselijke gil valt zij naar beneden, land met een harde klap op haar rug op het met vuurstenen bezaaide strand. Even kreunt zij.  Dan is zij stil. Net zo stil als het gezelschap rond het vuur.


39. Zan neemt het heft in handen

Het is Zan die als eerste reageert. ‘Iedereen blijft hier. Alleen Zoe en ik gaan naar beneden om te kijken hoe zij er aan toe is’. Wanneer Gaya begint te protesteren dat zij de medicijnvrouw is kapt Zan haar woorden af. ‘Als ze leeft brengen we haar naar boven en mag jij haar samen met Yali onderzoeken. Voor nu blijf jij boven’. Gaya begint te protesteren maar Yali schudt haar hoofd. ‘Zan heeft gelijk. Jij en ik moeten boven blijven’.

Zan pakt een stok die naast het vuur ligt en steekt deze aan. Voorzichtig loopt hij samen met Zoe het pad af naar het strand, naar het bewegingsloze lichaam van Sim. Hij duwt de fakkel naast de vrouw in het strand en voelt in haar hals naar een teken van leven. Hij voelt een vage hartslag. ‘Ze leeft nog’, zegt hij tegen Zoe, en roept naar boven ‘Sim leeft nog. Tas, Rag en Azel willen jullie met de slee naar beneden komen. Dan kunnen we haar zo naar boven brengen’. Even later staan de vier mensen met de slee beneden op het strand. Voorzichtig wordt de vrouw op de slee getild en zo boven, naast het vuur, neergezet. ‘Gaya, jij kan haar nu onderzoeken. Pon en Rin, helpen jullie Gaya hierbij?’. Het is geen vraag maar een opdracht en  beide vrouwen lopen naar de slee toe om Gaya te assisteren.

Met trillende handen begint Gaya aan haar onderzoek. Als eerste betast zij het hoofd van Sim. Zij voelt een stevige bult, maar geen bloed. Dan is het lijf van Sim aan de beurt. Voorzichtig, geholpen door Pon en Rin, loopt zij alle lichaamsdelen van de vrouw langs. Als door een wonder lijkt er niets gebroken te zijn. ‘Ik voel geen breuken, ik voel geen bloed maar ik weet niet of er van binnen iets kapot is. Dat kan ik niet voelen’, zegt zij. ‘Ik stel voor de slee de vrouwengrot in de rijden en haar vannacht op de slee te laten liggen. Wel moet er constant iemand bij haar blijven om er voor te zorgen dat zij niet van de slee valt. En zodra Sim bijkomt  moet iemand mij komen halen, dan kan ik haar verder onderzoeken’. Zan knikt haar toe en draait zich dan naar de overige vier bewoners van de vrouwengrot. ‘Ik stel voor dat Pon en Rin het eerste deel van de nacht over Sim waken en dat daarna de beurt is aan Lan en Ani. Morgen zien we wel verder hoe en wat. Wanneer Sim bijkomt haal je niet alleen Gaya, je waarschuwt ook mij’.

‘Vertrouw jij Gaya niet?’, vraagt Urgh ineens. De oude jager kijkt hem aan en schudt zijn hoofd. ‘Daar gaat het niet om Urgh’, zegt hij dan. ‘Iedereen die hier zit weet dat wat Sim vanavond gezegd heeft niet klopt. Dat Yali de ware toedracht van het verbreken van de intentie tot verbinden heeft verteld. Maar soms vergeten mensen wat de waarheid is. Zoals Sim die vergeten was. Waarom dat gebeurt weet ik niet, maar het gebeurt. En daarom is het van belang dat Yali, Azel, Gaya en jij, en misschien Tas ook, niet alleen met Sim zijn zolang we niet weten hoe het met haar gaat. Gewoon, om de verhalen voor te blijven’. Urgh kijkt Zan aan en zegt dan ‘Je hebt gelijk Zan. Dank hiervoor’.
Zan knikt de jongeman toe en zegt dan ‘Het is al laat jongen. Het is tijd om de taken te verdelen zodat we daarna naar bed kunnen gaan. Het was een zware dag’. Urgh aarzelt even alvorens het woord te nemen. ‘Ik verdeel de taken morgenochtend. Een ding weet ik wel. Ik verzoek iedereen na te denken over een manier om het pad wat voor de grotten loopt veiliger te maken. Zo’n valpartij mag nooit meer gebeuren’. Hij kijkt de mensen die rondom het vuur zitten een voor een even aan en zegt dan ‘Zan, zou jij de eerste wacht willen nemen? Zoe krijgt de tweede wacht, Rag de derde en Tas de vierde. Slaap lekker allemaal’.

Gezeten bij het vuur ziet Urgh hoe Zan en Ani de slee met het bewegingsloze lichaam van Sim de vrouwengrot in trekken. Zij worden op de voet gevolgd door de andere drie vrouwen. Ook de overige grotbewoners trekken zich terug. Wanneer Zan de vrouwengrot uitkomt zitten alleen Urgh en Gaya nog zachtjes te praten bij het vuur. ‘Waarom heb je nooit verteld dat jij ooit een verbinding zou aangaan?’, hoort hij Gaya vragen. ‘Het is nooit van een verbinding gekomen’, is het antwoord, ‘Sim wilde na mijn ongeluk zo zo graag van mij af. Wilde niets meer met mij te maken hebben. Eigenlijk ben ik die hele intentie vergeten. Ik wist niet eens dat zij met kind was. Dat hoorde ik vanavond voor het eerst’. Hij slikt even terwijl Gaya haar armen om hem heen slaat. Zachtjes zegt zij ‘Het spijt mij Urgh’. De man slaat zijn armen om haar heen en begraaft zijn gezicht in haar haren. ‘Mij ook Gaya, mij ook’.  Stil zitten zij dicht tegen elkaar aan. Ineens is daar de stem van Zan die vraagt ‘Zijn jullie nog op? Ik denk dat het voor jullie ook tijd is om te gaan slapen. Het kon morgen wel eens een drukke en zware dag worden’. Zuchtend laat Gaya Urgh los, pakt zijn krukken en helpt hem overeind. ‘We gaan al Zan, we gaan al’. Nagestaard door Zan lopen zij samen naar de grot van Urgh. Gaya gaat even mee naar binnen, komt dan weer naar buiten loopt door naar de grot van Yali en Azel.
Zan gaat met z’n rug tegen een boom, met het gezicht naar het vuur zitten. Zijn wacht is begonnen.


40. Grotbewoners

Tijdens de wacht van Tas opent Sim zacht kreunend haar ogen en ziet bij het licht van de fakkel Lan en Ani naast haar bed zitten. Beide vrouwen slapen. Sim’s hoofd doet pijn en wanneer zij met haar hand naar de pijnlijke plek op haar achterhoofd gaat voelt zij een grote bult. Langzaam komen de herinneringen aan de vorige avond terug. Haar tirade richting Urgh, de woorden van haar zus, het gevoel van vallen. Beschaamd verbergt Sim haar gezicht in haar handen en begint zachtjes te snikken waardoor Ani wakker wordt. Ani schudt Lan wakker en vraagt haar Zan en Gaya te halen. ‘Nee’, roept Sim, ‘Niet Gaya. Ik schaam mij dood’. Ani kijkt de snikkende vrouw even aan en zegt rustig: ‘Daar had je eerder aan moeten denken Sim’.

Vijf minuten laten lopen Zan en Gaya, bijgelicht door de eerste zonnestralen, de grot binnen. Kalm en beheerst herhaalt Gaya het onderzoek van de avond er voor. Dit keer kan Sim aangeven of iets pijn doet of niet. ‘Je hebt geluk gehad’, zegt Gaya terwijl zij de tranen van de vrouw negeert, ‘Je hebt niets gebroken. Kan je zitten?’ Voorzichtig doet Sim wat van haar gevraagd wordt. Meteen begint haar hoofd nog harder te bonken en haar maag te draaien. ‘Ga maar gauw liggen’, zegt Gaya, ‘En blijf voorlopig liggen. Je mag pas weer gaan zitten wanneer je niet meer misselijk wordt. Doe je dat wel blijf je altijd hoofdpijn houden’. Dan wendt Gaya zich tot Lan. ‘Wil jij wat kruidenthee voor haar maken, en straks wat bouillon. Het is belangrijk dat Sim blijft eten en blijft drinken.’ Even aarzelt Gaya en zegt dan ‘De eerste paar dagen moet er wel constant iemand bij haar zijn. Na zo’n klap tegen het hoofd krijgen mensen wel eens een zware aanval van stuipen en gedeeltelijke verlammingen en kunnen dan stikken in hun eigen speeksel wanneer niemand hen helpt’.  Met een knikje naar Sim en de omstanders verlaat Gaya, op de voet gevolgd door Zan, de grot.

Samen lopen zij naar de grot van Urgh om hem op de hoogte te stellen van het ontwaken van Sim. De grot is leeg. Dan horen zij iemand vanaf de weide het pad op komen. ‘Hij is samen met Kleintje zwemmen’, zegt Tas en wijst naar het water, ‘Net als Azel en Yali. Zij weten alle drie al dat Sim is bijgekomen. Dat weet iedereen ondertussen.’ Ze grinnikt even. ‘Ik denk dat ik Urgh’s voorbeeld even ga volgen’, zegt zij dan. ‘Lekker fris de dag beginnen. Gaan jullie mee.?’. Zonder het antwoord af te wachten loopt het meisje de volgende grot binnen, pakt schone kleren en loopt het pad af naar het strandje waar zij zich uitkleed, haar vuile kleding in het water gooit en er zelf achteraan loopt. ‘Misschien geen slecht idee’, zegt Zan en Gaya knikt.

Zoals bekend, wanneer er een schaap over de dam is volgen er meer. Een goed half uur later is het strand bezaait met gewassen kledingstukken en zitten alle grot-bewoners rondom het vuur op de weide alwaar Pon en Rin bezig zijn met de bereidingen van het ontbijt. Zelfs Sim is aanwezig. Ani en Lan hebben haar op last van Urgh met slee en al naar de weide gebracht. ‘Op de weide is altijd iemand aanwezig en kan zij makkelijk in de gaten worden gehouden. Bovendien hoeven we  dan slechts een paar handen te missen’, had hij gezegd.

Na het eten worden de taken verdeeld. ‘Zan, Tas en Rag, jullie gaan jagen. Pon en Lan, jullie gaan groenten, kruiden en bessen verzamelen. Yali, Rin en Ong, jullie gaan wilgentwijgen verzamelen waar matten van gevlochten kunnen worden. Mig en Frag samen met Azel op zoek naar dikke takken en dunne stammetjes voor de omheining van het pad en van de weide. Gaya gaat beginnen met het aanleggen van haar kruidentuin hier boven op de weide, Ani start met de voedselbereiding en zorgt voor voldoende thee. Ik ga naar het strand om te vissen en goede vuursteen-knollen te zoeken. Sim, jij past op het vuur. Als het dreigt uit te gaan geef je een seintje aan Ani of wie er dan ook in de buurt is zodat het vuur niet uitgaat. Iedereen blijft in de buurt en komt regelmatig terug naar het vuur. Ben je klaar met je eigen taak ga je kijken wie je kan helpen. Voorlopig is er altijd wel wat te doen.’

Niet lang daarna staat Urgh tot aan zijn middel in de rivier. Half lopend, half zwemmend is hij op weg naar de natuurlijke pier een eindje stroomopwaarts. De perfecte plek om vislijnen uit te zetten. Hij is blij dat Kleintje er voor gekozen heeft bij Gaya te blijven want de wolf zou de vissen maar afschrikken. Wanneer de lijnen liggen gaat hij terug naar het strand en begint aan zijn zoektocht naar de juiste maat vuursteen-knollen. Soms kruipend op handen en voeten, en soms de stenen met zijn kruk voor zich uit duwend groeit de stapel knollen bij een groot rotsblok gestaag. Na een goed uur knollen zoeken vindt hij het welletjes geweest. Hij tikt een laatste vuursteen-knol richting het rotsblok. De knol raakt een kleine kristalsteen die vlakbij het rotsblok ligt en de steen breekt. Verbaasd kijkt Urgh naar de steen die, in tegenstelling tot de wit/roze doorzichtige kristallen die hij kent, groen-gekleurd is. ‘Precies de kleur van Gaya’s ogen’, denkt hij. Hij raapt beide delen van de steen op. ‘Dit gaat mijn geschenk voor Gaya worden’, weet hij, al heeft hij nog geen idee wat hij van de steen gaat maken.  Hij stopt de stenen in de buidel die hij aan zijn riem heeft hangen en begint aan de tocht terug naar de groten en de hogergelegen weide. Andere, meer mobiele mensen mogen straks de vis en de stenen gaan halen.

41. De keuze

Rustig loopt hij via het strand naar het pad richting de grotten. Hij loopt zijn grot binnen en haalt de stenen uit zijn buidel en legt ze onder zijn slaaprol. Daarna vervolgt hij zijn weg naar boven. Net voordat hij de bij de weide is blijft hij even stilstaan en luistert of hij stemmen bij het vuur hoort. Na haar uitbarsting van gisteren heeft hij weinig zin om alleen met Sim bij het vuur te zitten. Vertwijfeld vraagt hij zich af wat hij ooit in de snibbige vrouw heeft gezien. Al snel hoort hij de vriendelijke bas van Zan gevolgd door de vrolijke lach van Ani en vervolgt zijn tocht naar de weide.

Daar aangekomen ziet hij dat iedereen al rond het vuur zit. Op de rand naast de vuurplaats liggen diverse konijnen te braden en er staan een aantal grote kommen met groenten te stoven. De geur van het eten maakt dat het water hem in de mond loopt. ‘Goedemiddag allemaal’, zegt hij, terwijl hij naast Azel op de grond gaat zitten. ‘Ik weet niet of er iemand zin in vis heeft’, zegt hij in het algemeen, ‘Maar ik heb tien lijnen uitgezet en volgens mij hangt aan elke lijn een vis. Ik had alleen geen handen vrij om ze mee naar boven te nemen. Wie zin heeft mag ze gaan halen’. Lachend ziet hij hoe Zoe en Rag elkaar aankijken, opspringen en terwijl, zij al naar beneden rennen, roepen ‘Dat doen wij wel even’.

Dan wendt hij zich tot Azel en zegt ‘Ik heb ook een hele berg vuurknollen van goede kwaliteit verzameld maar die liggen er morgen ook nog wel’. Voorzichtig strekt hij zijn benen. Vooral het slechte rechterbeen doet erg veel pijn en zijn schouders protesteren ook van al het geloop op krukken en het gesjouw met stenen. Dankbaar neemt hij een kom met warme kruidenthee van Yali aan. Met kleine slokjes drinkt hij de warme drank. Dan richt hij zich tot Zan. ‘Hoeveel hebben jullie vandaag gevangen?’ vraagt hij de jager. ‘Hebben we genoeg om morgen niet te jagen?’ Zan kijkt hem bevreemd aan. ‘Wat wil je morgen dan doen Urgh?’, vraagt de oudere man. ‘Het wordt tijd dat we een kortere route naar het dorp vinden dan we nu genomen hebben’, is Urgh’s antwoord. ‘Ik denk niet dat we daar mee moeten wachten tot we over veertien manen teug naar het dorp lopen.’  Zan kijkt naar de dieren die rondom het vuur liggen te braden en zegt ‘Goed idee Urgh. We hebben voldoende gevangen voor een dag of drie. Als die vissen van jou een beetje groot uitvallen zelfs wel voor vier dagen. Ik ga morgen met Tas, Zoe en Rag op zoek naar een kortere route naar het dorp.’

Wanneer Zoe en Rag een uurtje later met negen schoongemaakte vissen de weide oplopen wijst Gaya naar een wilgentenen mand die zij klaar heeft gezet. ‘Stop de vissen daar maar in’, zegt zij, ‘Die mand hangen we straks boven het vuur zodat de vissen kunnen drogen en garen. Voor nu is er voldoende te eten zonder dat we op de vis gaan wachten’. Yali en Ani beginnen kommen met stoofpot vol te scheppen en uit te delen. Azel en Zan snijden de konijnen in stukken en delen deze uit. Al snel zit iedereen te eten. Zelfs Sim durft het aan om voor het eten even te gaan zitten.

Ondanks de hoeveelheid eten verstommen de gesprekken nauwelijks. Nu de nieuwbakken grot-bewoners de omgeving een beetje verkend hebben zijn zij alleen maar enthousiaster geworden over hun nieuwe leefomgeving. Na het eten worden de werkzaamheden voor de volgende dag besproken. ‘Ik wil morgen beginnen om het pad wat veiliger te maken’, zegt Azel. ‘Daar kan ik wel wat hulp bij gebruiken van zowel sterke jongens als vrouwen die goed zijn in het maken van vlechtwerk.’ Urgh knikt instemmend. Dan neemt Yali het woord. ‘Ik wil morgen met een paar vrouwen gaan kijken waar we het beste de voorraden kunnen opslaan. Het leven geeft hier nu in overvloed, daar moeten we gebruik van maken.’  Weer knikt Urgh instemmend. Hij wendt zich tot Pon en Lan. ‘Dames, hebben jullie vandaag ook jonge fruitbomen en struiken gezien?’. ‘Ja’, zegt Pon. ‘Een eindje die kant op’, en zij wijst richting het oude kamp, ‘Staan heel veel appel- peren- en pruimenbomen en ook bramen en blauwe bessen struiken.  Veel oude bomen en struiken, maar ook jonge loten. Wil je hier op de weide ook een boomgaard gaan maken, net als bij het dorp?’.  ‘Jij hebt het begrepen’, reageert Urgh. ‘Zou ik niet doen’, reageert Ani. ‘De bomen en struiken die zij hebben gezien staan hier vlakbij. Ik heb ze ook gezien. Ik zou ze daar laten staan en hier op de vlakte kiezen voor de groenten en de kruiden.’  Ze schrikt van haar eigen woorden. ‘Euh, niet dat ik er wat over te zeggen heb natuurlijk, en wanneer jij vindt dat de boomgaard hier moet komen dan..’  Urgh kijkt de vrouw vriendelijk aan en zegt ‘Ani, als je wilt wordt dit ook jouw woonplaats en ik vind het alleen maar prettig dat jij meedenkt over de indeling. Werk wat we niet hoeven te doen moeten we beslist niet doen.’ ‘Ik? Hier wonen?’, vraagt Ani ongelovig. “Meen je dat Urgh. Is er hier ook een plaatsje voor alleenstaande mannen en vrouwen?’

Urgh knikt en zegt ‘Jullie zijn nu hier omdat jullie toevallig in het team van Tas, Azel of Zan zaten. Ik heb met Elm afgesproken dat ik na het zomerzonnewende-feest niet alleen jonge mensen mee terug neem, maar ook een of twee gezinnen en wat Omes en Tantes. Maar ik heb ook met hem afgesproken dat jullie zelf mogen kiezen waar je wilt wonen: In het dorp of in deze grotten. Denk daar goed over na. Ik wil het graag van jullie horen voordat we terug naar het dorp gaan zodat ik weet hoeveel mensen ik nog kan vragen of zij zich bij ons aan willen sluiten’. ‘Mogen wij allemaal zelf kiezen of we hier willen wonen?’, vraagt Sim spottend. Urgh aarzelt even en zegt dan ‘Iedereen behalve jij Sim. Jij blijft na het zomerzonnewende-feest in het dorp. Voor jou is hier geen plaats.’  Wanneer de vrouw wil protesteren zegt hij ‘Houd je mond maar Sim. Mijn besluit staat vast. Je mag hier blijven tot we met z’n allen naar het feest gaan, maar daarna is het voorbij.’ Voorzichtig staat hij op en met de woorden ‘Zan, verdeel jij de wacht? Ik neem de laatste. Slaap lekker allemaal.’ verlaat hij de weide en loopt naar de grot met zijn slaaprol. Hij slaapt al wanneer de eerste grot-bewoners zijn voorbeeld volgen en hun slaaprol opzoeken.

42. Spijbelen

Voor zijn gevoel slaapt hij nog maar net wanneer Frag hem wakker komt maken om de laatste wacht te lopen. Stam en stijf staat hij op en loopt achter de jongen de grot uit maar daar waar de jongen naar zijn grot en slaaprol gaat, loopt Urgh het pad naar de weide op. Kleintje loopt achter hem aan. Er brandt een behaaglijk vuur en er staat een bak met kruidenthee op de rand naast het vuur. Hij laat zich op z’n knieën zakken en vult een kom. Dan maakt hij het zich gemakkelijk met zijn rug tegen een boomstam en zijn slinger gevuld met een steen op schoot. Kleintje komt dicht tegen hem liggen, met zijn kop op zijn poten. Urgh kriebelt hem achter zijn oren. De wolf knijpt zijn ogen genietend dicht. Urgh geniet van het uitzicht, het gezelschap en de stilte. Heel in de verte hoort hij een holenleeuw brullen maar het geluid is zo ver weg dat hij zich geen zorgen maakt. Langzaam komt de zon op en worden de eerste grotbewoners wakker.

Het zijn Yali en Ani die als eerste de weide op lopen. Na een korte begroeting rakelt Yali het vuur op en Ani gooit de oude kruidenthee die al een hele nacht heeft staan trekken weg en vult de grote bak met vers water voor nieuwe kruidenthee. Urgh staat langzaam op. ‘Gisteren te veel gedaan, dat is duidelijk’, hoort hij Gaya zeggen. ‘Ach, ‘t is een man, en die sloven zich graag uit’, reageert Yali voordat Urgh kan antwoorden. ‘Maar het is wel mooi dat hij mee werkt aan het opbouwen van dit dorp’, reageert Gaya, ‘Dat heb ik wel eens anders gezien al denk ik dat het tijd wordt dat Urgh het iets rustiger aan gaat doen en wat meer dorpswijzerig gaat worden.’ Er klinkt een lach door in haar stem. Yali en Ani lachten hardop om haar woorden. Gaya loopt naar de man toe waarmee zij zich binnenkort gaat verbinden en slaat haar armen om hem heen. ‘Beloof me dat je het vandaag wat rustiger aan doet’, zegt ze zachtjes tegen hem, ‘Over een kleine 14 manen moet je over het vuur stappen. Het zou fijn zijn wanneer je dat dan ook kunt.’ Met zijn gezicht in heur haar verstopt bromt Urgh iets onverstaanbaars terug.

Een half uur later zit iedereen rond het vuur. Ook Sim. Nadat iedereen wat gegeten en gedronken heeft is het om aan de taken van die dag te beginnen. Zan, Azel en Urgh en de jongelui bespreken welke route de oude jager en zijn jonge gezelschap ongeveer moeten lopen voor de kortere route naar het dorp.’Let wel op’, zegt Urgh, ‘Ik hoorde vanmorgen een holenleeuw brullen. Ik weet nog niet hoe de geluiden hier zijn en denk dat het meer uit de richting van ons oude kamp kwam, maar daar durf ik geen eed op te doen.’  ‘We zullen opletten’, zegt Tas terwijl zij haar slinger pakt. Rag en Zoe volgen haar voorbeeld.

Net wanneer de vier mensen willen vertrekken zegt Sim ‘Aangezien ik hier toch niet mag blijven wil ik graag met hun mee terug naar het dorp gaan’. Urgh schudt zijn hoofd. ‘Nee Sim. Jij blijft hier. Na de valpartij van eergisteren is het beter dat je nog even niet zo’n stuk gaat lopen over onbekend terrein. Zan, Rag, Zoe en Tas weten wat ze bij gevaar moeten doen en jij niet’. ‘Ik denk dat Urgh gelijkt heeft’, zegt Yali, ‘Je hebt nog rust nodig Sim. Ik zou zeker vandaag nog bij het vuur blijven en regelmatig gaan liggen.’ Sim zegt niets, kijkt alleen maar boos, maar wanneer zij alleen nog met Ani en Pon bij het vuur zit gaat zij toch maar even liggen.

Aan het begin van de ochtend helpt Urgh Azel, de jongens en de vrouwen mee een begin maken met het afrasteren van het pad. Wanneer iedereen druk bezig is gaat hij naar zijn grot en pakt de groene steen en wat kleine gereedschappen en stopt deze in zijn buidel. Met een ‘Ik ga even een stuk langs de waterkant lopen’ pakt hij zijn krukken en laat de werkers achter zich. Rustig loopt hij het pad af naar de waterkant en zoekt zich een weg stroomafwaarts langs de rivier, uit het zicht van de werkers aan het pad. Uit het zicht van de achterblijvers op de weide. Wanneer hij denkt dat hij echt door niemand meer gezien kan worden gaat hij verscholen achter struiken aan de waterkant zitten, pakt de steen en zijn gereedschap en laat zijn handen het werk doen.

43. Nana's regels

Het is zijn neus die hem vele uren later laat weten hoe laat het is. De geur van gebraden konijn hangt in de lucht. Hij stopt zijn gereedschap en de bewerkte steen in zijn buidel en gooit de niet meer bruikbare resten in het water. Hij klopt zijn kleding af en wast zijn handen en gezicht. Steunend op zijn krukken staat hij op en begint voorzichtig aan zijn weg terug naar de vuurplaats. Net voordat hij in zicht van eventuele kijkers boven de grotten komt blijft hij stilstaan en haalt zijn mes en slinger uit zijn buidel. Het mes steekt hij achter zijn riem, de slinger knoopt hij er aan zijn riem vast. Dan pas loopt hij verder met Kleintje op zijn hielen.

Eenmaal de bocht om kijkt hij omhoog naar de grotten en de weide. Hij ziet niemand, alleen de rookpluimen van het vuur. In een rustig tempo loopt hij verder langs het struikgewas onder aan bij het pad. Ineens hoort hij Tas heel zachtjes zeggen: ‘Nana zit boven bij het vuur op je te wachten en ze is boos’. Zonder op of om te kijken, zonder op haar woorden te reageren vervolgt hij zijn weg. Bij zijn eigen grot aangekomen neemt hij even de tijd om naar binnen te lopen en de groene steen in zijn slaaprol te stoppen alvorens naar de weide te gaan.

Boven aan het pad neemt hij even de tijd om de weide rond te kijken.  Zijn oog valt op zijn grootmoeder die bij het vuur met Zan zit te praten.  Er staat een kom kruidenthee bij haar voeten. ‘Nana, medicijnvrouw van het dorp van Elm, welkom bij het vuur van het grottendorp’, begroet hij haar. ‘Ik zie dat je al een kom kruidenthee hebt gekregen’. Met een vriendelijk knikje loopt hij naar haar toe en neemt naast haar plaats. De oude vrouw kijkt hem met boze ogen aan. ‘Waar was jij’, sist ze met samengeknepen lippen. ‘Als dorpswijze hoor je altijd in het zicht van je dorpsgenoten te zijn. Als je op pad gaat moet er altijd iemand mee om je te beschermen bij mogelijk gevaar.’  Urgh kijkt haar aan. ‘Ik ben geen dorpswijze zoals Ergh of Elm’, zegt hij dan. ‘Ik ben een jager en kan voor mijzelf zorgen. En daarbij, ik was niet alleen. Kleintje was al die tijd bij mij. Niets of niemand kan mij besluipen wanneer hij in de buurt is. Ik ben beneden bij de rivier geen moment in gevaar geweest.’ Urgh buigt zich naar de de oude vrouw toe en zegt zachtjes zodat alleen zij hem kan horen: ‘Daarbij ben jij niet de medicijnvrouw van dit dorp en zijn wij niet met elkaar verbonden. Er is maar een iemand hier die mij de les mag lezen en dat is Gaya’.  De oude vrouw kijkt hem even scherp aan en zegt dan, net zo zachtjes en voor zijn oren alleen: ‘Je bent gegroeid Urgh en je hebt meer lef dan Elm’. Zij vervolgd iets luider ‘Je hebt gelijk Urgh. Met Kleintje aan je zij loop jij geen gevaar’.

Urgh grinnikt eens en slaat dan zijn armen om de oude vrouw heen. ‘Goed je hier te zien Nana en niet alleen omdat dit betekent dat er een snelle route naar het dorp is. Ik kan wel wat advies gebruiken over dat dorpswijze gedoe’. Wanneer de oude vrouw hem verbaasd aankijkt zegt Urgh ‘Advies Nana. Ik sta open voor advies. Ik heb alleen een hekel aan opdrachten. Net als mijn moeder’. Hij laat de oude vrouw los en vraagt aan Ani, terwijl zijn ogen naar de kommen met eten en het gebraad langs het vuur gaan, ‘Is het eten al klaar?’. Verlegen knikt Ani van ja. ‘Zou jij dan zo vriendelijk willen zijn om de eerste kom eten voor onze geëerde gaste Nana te vullen’. Weer knikt Ani van ja en vult een kom met eten en geeft deze aan Nana. Al snel zitten alle grotbewoners te eten en te praten.

Na het eten is het Tas die Nana de grotten laat zien en haar, op last van Urgh, in de grot van Urgh installeert. Met zijn arm om Gaya’s schouder geslagen kijkt hij de twee vrouwen na. ‘Doe me een lol’, zegt hij ineens, ‘Als ik op Ergh en Elm ga lijken, geef mij dan even een schop’. Gaya geeft geen antwoord, maar haar zacht gegiechel spreekt boekdelen.

44. De eerste en laatste les dorpswijze-schap

De volgende morgen wanneer iedereen aan de slag is gegaan met de hen toegewezen taken blijven alleen Urgh en Nana bij het vuur achter. ‘Brand maar los’, zegt Urgh met een grijns. ‘Vertel me maar wat ik fout doe, wat ik anders moet doen, waar ik over na moet denken.’ Nana kijkt hem aan. ‘Om te beginnen iets kleins. Waarom heb  jij Sim in het bijzijn van alle andere bewoners gezegd dat er voor haar na het zomerzonnewendefeest hier geen plaats is.’ Urgh kijkt zijn grootmoeder aan. ‘Ik was boos’, reageert hij, ‘Mijn opmerking was misschien niet slim maar wel duidelijk en iedereen heeft mijn woorden precies zo gehoord als ik ze gezegd heb. Sim kan ze niet verdraaien.’ Zijn grootmoeder knikt. ‘Dorpswijze mogen hun voor- of afkeur van hun bewoners nooit zo duidelijk laten blijken Urgh. Sim kan jouw woorden niet verdraaien maar de overige bewoners kunnen jouw woorden nu wel tegen Sim gebruiken en haar links laten liggen. Daar mag je als dorpswijze nooit aan meewerken.’ Urgh trekt een vies gezicht. ‘Ik zal nadenken hoe ik de schade voor Sim kan beperken’, zegt hij dan. Nana knikt.

‘Je hebt gezegd dat iedereen na het feest mee terug naar de grot mag. Wat is de toegevoegde waarden van Pon, Rin, Lan en Ani?’, vraagt Nana. Zonder na te denken zegt Urgh ‘Pon, Rin en Lan zijn harde werkers, goede voedselzoekers en kunnen goed manden en matten vlechten. Ani is fysiek niet zo sterk maar zij gebruikt haar hersens en kan goed koken.’ Er trekt een vlug lachje over zijn gezicht wanneer hij vervolgt ‘En ze maakt Zan blij en iedereen die Zan blij maakt is welkom bij mijn vuur.’ Nana kijkt hem verbaasd aan. ‘Heb jij de tekenen nog niet gezien?’, vraagt Urgh, ‘Beter opletten Nana. Het is misschien wel handig wanneer je je oude beelden over de mensen hier een beetje bijstelt.’

De oude vrouw kijkt haar kleinzoon peinzend aan en vraagt dan ‘Hoe komt het dat jij vandaag hier bij dit vuur zit en wij dit gesprek hebben?’ Urgh denkt even diep. ‘Het simpele antwoord is -omdat de voorouders het zo gewild hebben-‘, reageert Urgh, ‘Maar de voorouders hebben er niets mee te maken. Ik zit hier vanwege de daad van mijn vader en het onvermogen van vijf mensen om mij te laten sterven.’ Nana kijkt hem scherp aan. ‘Leg uit’, zegt zij dan.

‘Toen de kruiden die Onna in heeft genomen niet bleken te werken was het Ergh’s taak als dorpswijze om mij na mijn geboorte in het bos achter te laten zodat de dieren mij konden verscheuren. Dat heeft hij niet gedaan. Na mijn ongeluk was ik zo zwaar gewond dat Tork als leider van de jacht mij mijn keel door had moeten snijden en mij bij de botten van de mammoet achter had moeten laten. Terug in het dorp had jij als medicijnvrouw van het dorp na het zien van mijn benen alsnog moeten besluiten mij om te brengen omdat ik het dorp in die staat alleen maar tot last zou zijn. Omdat zij mijn moeder is had Onna mij om diezelfde redenen om moeten brengen. En als laatste had Elm mijn keel door moeten snijden alvorens mij naar de voorouders te begeleiden. Iemand die na zestien manen nog steeds leeft gaat echt niet zonder slag of stoot dood, alleen maar omdat hij voor de voorouders geleid wordt.’

Even is het stil, dan vraagt Urgh ‘Heb ik gelijk of niet?’. Nana slikt en knikt. ‘Jij hebt gelijk’, zegt ze dan, ‘Maar denk je niet dat de voorouders hier een hand in hebben gehad?’ Urgh schudt zijn hoofd. ‘Nee’, zegt hij dan, ‘De voorouders wisten wel beter en hielden zich aan de regels. Jij weet net zo goed als ik dat Ergh’s geest al voor zijn valpartij aan het dwalen was. Hem in het ravijn duwen was een halfslachtige poging het probleem op te lossen. Eentje die niet gewerkt heeft. Na de verkiezing van Elm als dorpswijze had hij jouw werk af moeten maken.’ Hij stopt met praten wanneer hij de zachte kreet van zijn grootmoeder hoort. ‘Hoe weet jij dat Urgh?’, vraagt ze dan zachtjes, ‘Jij zat toen tien manen lopen bij het dorp vandaan’. Urgh knikt. ‘Onna heeft het mij verteld, net voordat zij de kom met gif leegdronk die zij voor mij klaargemaakt had’, is zijn antwoord.

Na die woorden is het lange tijd stil. De stilte wordt doorbroken door Nana. ‘Ben jij niet blij dan Urgh, dat je nog leeft? Je gaat dorpswijze worden, je verbinden, loopt weer ook al is het dan op krukken en je hebt in Kleintje een trouwe vriend gevonden.’ De jonge man naast haar zegt een hele tijd niets. ‘Nu ben ik blij dat ik leef. Vanwege Gaya en Kleintje. Dorpswijze worden en weer kunnen lopen zijn bijzaak. Als ik meteen na mijn geboorte door de wilde dieren verslonden was, of na mijn ongeluk gestorven was… dan was dat ook goed geweest Nana. Zo is het leven. En dat is goed.’

Nana kijkt haar kleinzoon even peinzend aan en zegt dan ‘Ik denk niet dat ik jou nog veel kan leren over het dorpswijze-schap Urgh.  Je hebt de regels en de redenen zelf al uitgedacht. Ik denk ook dat met jij met jouw kennis en ervaring een aantal beslissingen beter kunt nemen dan Ergh of Elm die weinig jachtervaring hebben. Nog een ding Urgh.. De voorouders hebben Elm gezegd dat hij vaker met Tork, Zan, Azel en jou moet overleggen. Hoe moet hij dat doen wanneer Tork op jacht is en jullie hier wonen?’. Er verschijnt een brede grijns op het gezicht van Urgh voordat hij zegt, ‘Hij loopt maar mooi elke nieuwe maan deze kant op voor overleg en een goede maaltijd. Dat zal zijn luie lijf goed doen.’  Hoofdschuddend zegt Nana ‘Urgh toch, zo praat je niet over je dorpswijze’, maar haar ogen schitteren wanneer ze voor hen beide een kom thee inschept.

45. Geheimen

De dagen die volgen staan in het teken van de opbouw van het grottendorp en de voorbereidingen voor de verbinding tussen Urgh en Gaya. Er wordt gejaagd, gevist en eten bereidt. Onder de bezielende leiding van Nana werken Lan en Pon aan nieuwe kleding voor Urgh en Gaya uit de huiden die Nana uit het moederdorp heeft meegenomen.  Tussen de bedrijven door krijgt Gaya haar laatste lessen medicijnvrouw-schap.

Zoals het in Urgh’s ogen een goed dorpswijze betaamd helpt hij dagelijks mee aan een van de activiteiten ten behoeven van de opbouw van zijn dorp. Hij gaat mee vissen, jaagt mee op klein wild en leert de vier jonge jagers de fijne kneepjes van het vak. Hij vlecht matten, maakt gereedschappen en snijdt groenten voor Ani’s stoofschotels.   En hij piept dagelijks een paar uur weg. Tot grote tevredenheid van Nana gaat hij niet meer alleen met Kleintje op stap. De eerste dag gaat hij met Azel op stap, de daarop volgende dagen met Tas en Zan en de dagen dat beide jagers langer wegblijven dan hem lief is gaat hij met Azel en Yali op stap.

Met nog zeven manen voor de boeg voordat het zomerzonnewende feest gevierd gaat worden neem Nana Urgh apart. ‘Heb je er al aan gedacht om een persoonlijk geschenk voor Gaya te maken?’, vraagt zij. Urgh knikt en bromt ‘Dat is klaar Nana’. ‘Mag ik het zien?’, vraagt de oude vrouw hem. Urgh’s antwoord is een kort en bondig ‘Nee’.  Bij het zien van de verbaasde blik op het gezicht van zijn moeders moeder zegt hij ‘Ik wil dat Gaya de eerste vrouw is die het ziet’.  Scherper dan zij van plan was stelt zij haar tweede vraag ‘Waarom ontvlucht jij de werkzaamheden in het dorp elke dag?’ ‘Dat is voor jou een vraag en voor mij een weet’, is het antwoord wat volgt.

Wanneer Urgh zich de volgende dag samen met Zan en Tas aan het zicht van de dorpsbewoners onttrekt wordt hij nagestaard door Nana. Wanneer zij denkt dat niemand haar ziet loopt zij zo onopvallend mogelijk dezelfde kant op richting de rivier, de bocht om naar rechts. Werkend aan de omheining langs het pad naar het strand begint Azel vrolijk te fluiten. Nana slaat er geen acht op. Zo geruisloos mogelijk loopt zij verder, het spoor van Urgh’s krukken volgend. Dan ziet zij door de bladeren heen Zan staan. Zij blijft stokstijf staan. De jager ziet haar niet en draait zich al pratend van haar af. Voorzichtig sluipt zij nog dichterbij. Door de struiken heen ziet zij Urgh op een grote kei zitten met zijn voeten in het water. Hij is samen met Tas steentjes aan het ketsen. Na de zoveelste geketste steen draait zij zich gefrustreerd om. Niets wijzer geworden over het motief van Urgh om zich dagelijks af te zonderen keert zij terug naar het dorp.

Die avond tijdens het eten zegt Urgh ineens zachtjes tegen haar, ‘Nana, wanneer je de volgende keer de omgeving gaat verkennen neem je dan een van de jonge jagers mee om te voorkomen dat je ten prooi valt aan de wilde dieren’. Nana kijkt hem scherp aan. Zou hij weten waar zij naar toe is geweest? Urgh’s gezicht verraad niets. Opgelucht haalt zij adem.  Dan komt Gaya bij hen zitten en gaat het gesprek al snel over de reis naar het moederdorp en de voorraden die meegenomen worden voor het feest.

Twee dagen later, op de dag voor het zomerzonnewende feest, loopt het grottendorp leeg. De sledes zijn volgeladen met voorraden en lekkernijen en met de persoonlijke spullen van hen die nu al weten dat zij na het feest niet terug zullen keren in het grottendorp. Tenminste, niet om er te gaan wonen.

46. Aanloop naar de verbinding

De reis verloopt voorspoedig en na een kleine vier uur lopen in een rustig tempo komt het dorp in zicht. Het moment voor Urgh om van de slee af te stappen, zijn krukken te pakken en het laatste stukje zelf te lopen. Even denkt hij terug aan de laatste keer dat hij op krukken over het pad liep. Een koude rilling loopt over zijn rug. Als Tas er niet was geweest dan … Snel schudt hij de gedachten van zich af.

Bij de ingang van het dorp staan Elm en Tork de kleine stoet mensen op te wachten. Het welkom is warm. Vol verbazing krijkt Elm naar de grote hoeveelheid eten die het reisgezelschap bij zich heeft. ‘Hebben jullie alles meegenomen?’, vraagt hij verwondert. Nana schudt van nee. ‘Nee zoon, dit is slechts een klein gedeelte van de voedselvoorraad van het Grottendorp. De jacht en de visvangst is daar overweldigend’. Elm en Tork kijken naar Urgh. ‘Volgend jaar zal de jacht en de vangst wel wat minder zijn’, zegt de lamme jager, ‘Het gebied waar we kunnen jagen is niet zo groot. Maar dit jaar is nog een jaar van overvloed’. Hij lacht naar de twee mannen voor hen. ‘Overvloed is er om met vrienden te delen’, zegt hij.

In het dorp aangekomen worden de sledes leeggeladen. Terwijl de meeste toekomstige Grotbewoners hun oude stekkie opzoeken worden de voedselvoorraden onder toeziend oog van Nana en Marg in de voedselgrot opgeborgen. De twee vrouwen overleggen over het menu van de vooravond van het feest. ‘Niet te veel en niet te zwaar’, beslist Nana. ‘Veel groenten, stoofpot en wat vlees is voldoende voor vanavond. Morgen smullen we van het eten wat Urgh en Gaya meegenomen hebben’. Marg knikt dat zij het eens is met de beslissing van Nana.  Die avond heeft niemand de behoefte om het laat te maken en al vroeg zoekt iedereen de slaaprol op.

Het is nog vroeg wanneer Urgh door Kleintje wakker wordt gelikt. Hij is meteen klaarwakker, duwt de wolf aan de kant maar staat nog niet meteen op. Met zijn handen onder zijn hoofd gevouwen kijkt hij naar de zonsopgang die rood, warm en prachtig is. Dan staat hij op. Elm, met wij hij als vanouds de grot heeft gedeeld slaapt nog. Gezeten op zijn  bed pakt hij de kleine mand met twee hengsels die Tas speciaal voor hem gemaakt heeft. Hij stopt er zijn nieuwe kleren, buidel en scheermes in en hangt de mand op zijn rug. Hij pakt zijn krukken en begint aan de korte tocht richting badgrot.

Een uur later, wanneer het steeds drukker wordt in de badgrot, staat hij fris gewassen en geschoren en met zijn lange haar in een stevige vlecht in zijn nieuwe kleding weer buiten. Hij brengt de mand met vuile kleding terug naar de grot van Elm en loopt dan naar de vrouwen vuurplaats. Zodra Ani hem aan ziet komen pakt zij een klein pakje uit de buidel aan haar riem en geeft dit aan Urgh. ‘Dank je wel Ani’, zegt hij, terijl hij het pakje onder toeziend oog van de aanwezige vrouwen in zijn eigen buidel stopt. Verlegen wijst Ani op de pot met thee en kijkt Urgh vragend aan. ‘Lekker’, zegt de lange man en gaat op een steen bij het vuur zitten. Hij neemt de kom thee van Ani aan en wijst op de steen naast hem. Ani pakt een kom thee en gaat naast hem zitten. Zachtjes zegt ze ‘Urgh, ik wil je wat vragen. Beloof je me niet te gaan lachen’. ‘Ik beloof het’, zegt Urgh plechtig. Ani aarzelt nog even, buigt zich dan naar hem toe en fluisterd iets in zijn oor. De man luisterd naar haar vraag en kijkt haar daarna even strak aan. ‘Weet je het zeker?’, vraagt hij. ‘Ja’, zegt Ani. ‘Dan ga ik kijken wat ik voor je kan doen’, is het antwoord van Urgh. In stilte drinken de twee mensen hun thee op. Dan zet Urgh de kom aan de kant en staat op. ‘Je hoort nog van me’, zegt hij tegen Ani en loopt naar de werkplaats van Azel.

Tot zijn vreugde treft hij Azel daar aan. ‘Tja jongen’, zegt de ouder man tegen hem, ‘Met drie vrouwen die zich vandaag gaan verbinden in de grot, en het naderende afscheid van Marg…. Het werd mij als man allemaal even te veel.’ Urgh grinnikt even en vraagt ‘Zou je iets voor mij willen doen Azel?’. De man knikt en luistert met een steeds groter wordende grijns op zijn gezicht naar Urght. ‘Komt voor elkaar jongen. Ik ga aan de slag.’ Nog voor Urgh de werkplaats verlaat is Azel al op zoek naar de benodigde materialen. Na zijn bezoek aan Azel gaat Urgh nog wat vuren langs terwijl de zon naar haar hoogtepunt klimt. Wanneer de eerste dorpsbewoners zich verzamelen bij het grote vuur voor de grot van Elm in afwachting van de drie paren die zich de middag zullen gaan verbinden loopt Urgh samen met Elm en Krom naar de grot van Azel waar Marg, Pew en Gaya opgedoft en wel op hun toekomstige vuurpartners zitten te wachten. Klaar om naar het vuur te lopen. Klaar om over het vuur te stappen. Klaar voor een nieuwe fase in hun leven.

47. De laatste hindernis

Bij de eerste trommeltonen is het Azel die naar buiten loopt om de menigte mensen voor de grot van de Dorpswijze in ogenschouw te nemen. Het trommelgeluid wordt harder en harder en de slagen volgen elkaar steeds sneller op. Ineens is het stil. Alleen de trommel vibreert nog na. ‘Kom kinderen’, zegt Azel, ‘Het is tijd om naar het vuur te gaan’. Azel draait zich om en wacht tot Yali zich bij hem gevoegd heeft. Dan begint hij te lopen, op de voet gevolgd door Elm, Marg, Pew, Krom, Urgh en Gaya.

De dorpsbewoners staan rondom de kom voor de grot van de Dorpswijze opgesteld, hun ogen gericht op het kleine, langgerekte vuur. Allen hebben reeds een slok vooroudeirdrank gehad en zijn klaar om de ceremonie te aanschouwen. Azel en Yali lopen door tot vlak voor het vuur en doen dan beide een stap opzij zodat Elm en Marg pal voor het vuur komen te staan. De trommelaar begint weer te trommelen. Nana komt uit de grot gelopen met de staf van de dorpswijze in haar hand. Zij loopt door tot aan het vuur en kijkt over het vuur heen naar de zes jonge mensen. Nana tikt drie maal stevig met de staf op de grond. De trommelaar valt stil. Dan begint Nana met de stem van de voorouders te praten.

‘Welkom Elm en Marg, Urgh en Gaya, Krom en Pew. Welkom bij het vuur wat jullie zal verbinden of zal verteren.’ Nana, met achter haar de schimmige gedaanten van vele voorouders, kijkt de jongelui voor haar een voor een aan alvorens verder te praten. ‘Zodra ik je naam noem ga je zo dicht mogelijk bij het vuur staan en pakt elkaars beide handen vast. Ik tik dan driemaal met de staf voor het vuur waarna de voorouders jullie hart en jullie geest zullen navorsen. Wanneer ik weer driemaal met de staf op de grond tik springen jullie over het vuur of zien van de verbinding af. Hebben jullie dit begrepen?’

Zonder een antwoord af te wachten of op de blikken die op Urgh geworpen worden te letten gaat zij verder. ‘Elm en Marg, zijn jullie er klaar voor?’ Beide mensen knikken, doen nog een stap naar voren en pakken elkaar kruislings bij de handen. Nana tikt met de staf op de grond. Het kleine vuur laait ineens hoog op. In het vuur dansen de voorouders, Ergh, Onna, de lange blonde man. Het ‘vorsen’ lijkt een eeuwigheid te duren maar dan tikt Nana weer driemaal met de staf op de grond. De voorouders trekken zich terug uit het vuur wat weer laag en klein wordt en de beide jonge mensen springen over het vuur heen. ‘Dan is het nu tijd voor het uitwisselen van de persoonlijke geschenken’, zegt Nana met de stem van velen. ‘Elm, jij begint’. Onder het toeziend oog van Nana, de voorouders en de dorpsgenoten haalt Elm een snoer met twee grijze kralen te voorschijn. ‘Een kraal voor jou en en kraal voor mij’, zegt hij, ‘En ruimte voor heel veel extra kralen voor al onze kinderen’. Marg bloost wanneer hij het snoer om haar nek hangt. De dorpsbewoners joelen. Marg geeft haar cadeau aan Elm. Het is een armband van leer met een haarlok van haar er tussendoor gevlochten. Elm steekt zijn arm uit en Meg knoopt de armband vast. Weer klinkt de stem van velen. ‘De voorouders zijn tevreden. Jullie zijn met elkaar verbonden tot jullie beide anders verkiezen.’ Met haar eigen stem vervolgt Nana ‘Marg, zou jij daar’, en zij wijst naar een van de sledes die bij het kleine kookvuur dichter bij de ingang van de grot staat, ‘Willen gaan zitten, dan kan Elm nu de overige twee stellen verbinden zoals het een dorpswijze betaamt’.

Terwijl Marg naar de slee loopt overhandigt Nana de staf aan Elm. ‘Krom en Pew’, begint Elm, en ook hij spreekt met de stem van velen, ‘Jullie weten wat er komen gaat. Zijn jullie er klaar voor?’. Elm kijkt beide jongen mensen aan de andere kant van het vuur vriendelijk aan. Beide knikken van ja en slaan de handen kruislings in elkaar. Elm tikt drie maal met zijn staf op de grond. Weer laait het vuur hoog op en verschijnen de voorouders. Dit maal is vooral Joli, de moeder van Pew, prominent aanwezig. Sneller dan verwacht tikt Elm driemaal op de grond waarna het vuur dimt. Hand in hand springen Krom en Pew over het vuur. ‘Jullie mogen nu de geschenken uitwisselen om de verbinding te bezegelen’, zegt Elm. Krom, jij begint’. Voorzichtig pakt Krom zijn geschenk. Het is een prachtig bewerkte leren buidel ‘Zodat ik altijd bij je ben wanneer je kruiden zoekt, mijn medicijnvrouw’. Pew straalt wanneer zij de buidel aanneemt en aan haar gordel hangt. Dan pakt zij haar geschenk voor Krom, een armband. Deze is niet van gevlochten leer maar gesneden uit een stuk. Bovenop zit de tand van een holenleeuw bevestigd. Krom steekt zijn arm uit en Pew maakt de armband stevig vast. Wanneer Elm de woorden ‘De voorouders zijn tevreden. Jullie zijn met verbonden tot jullie beide anders verkiezen’ uitspreekt klinkt de stem van Joli boven alle andere stemmen uit. Op aanwijzing van Elm gaan Krom en Pew op een van de sledes zitten.

Elm richt zijn ogen op het overgebleven stel. ‘Urgh en Gaya, zijn jullie er klaar voor?’. Beide mensen aan de andere kant van het vuur knikken en gaan zo dicht mogelijk bij het vuur staan. Urgh draait zich half om en geeft zijn rechterkruk aan Azel, die vlak bij hem staat. Dan leg hij zijn rechterarm over de schouder van Gaya die zijn hand stevig vast pakt. Haar linkerarm slaat zij om zijn middel en haar hand zoekt zijn hand waarmee hij zijn linkerkruk vast houdt. Voorzichtig legt hij een vinger over haar vingers heen. Elm tikt drie maal met zijn staf op de grond. In het hoog oplaaiende vuur herkennen Urgh en Gaya Onna en Kali, hun beider moeders. Maar ook Joli is er, Ergh, en de lange blonde man. Hun blikken gaan, net als de blikken van Elm, Nana en de dorpsbewoners naar de handen van het stel. Handen die elkaar zo anders vasthouden dan de overige stellen dit deden. Er verschijnt een lach op het gezicht van Onna. Haar stem klinkt ijl, maar voor iedereen goed verstaanbaar wanneer zij zich tot Kali wendt en zegt ‘Ik zei je toch dat Urgh hier wel iets op zou verzinnen.’ Kali antwoord met een schatterende lach. Elm tikt driemaal op de grond. Het vuur dimt tot het nog slechts een vage streep is. Urgh zet zijn linkerkruk over het vuur heen en dan ‘springen’ zij samen over het vuur er voor zorgend elkaar niet los te laten. Gaya blijft Urgh steunen totdat Tas hem zijn tweede kruk aanreikt. ‘Dan is het nu tijd om de geschenken uit te wisselen’, zegt Elm. Uit zijn buidel vist Urgh een leren veter met daaraan een grote groene kraal te voorschijn. De kraal glinsterd in het zonlicht. ‘Wat mooi’, zegt Gaya wanneer Urgh de ketting om haar nek hangt. ‘Hij kleurt bij je ogen’, zegt Urgh, ‘En die glimmen ook zo mooi’. Gaya giechelt zachtjes. Dan pakt zij haar geschenk voor Urgh. Qua ontwerp lijkt de armband op die van Krom, inclusief de tand van de holenleeuw. Alleen zitten hier ook nog twee groene kralen in vewerkt. Verbaasd kijkt hij naar de kralen en dan naar Gaya die net zo verbaasd kijkt. ‘Hoe.. Waar..?’ Gaya wijst naar Azel die dichterbij komt. ‘Ik heb het leer en de tand aan hem gegeven, hij heeft de rest voor mij gedaan’, zegt Gaya. ‘Grijze kralen voor hier’, zegt Azel lachend, ‘Groene kralen voor daar’.

‘Urgh, Gaya, zouden jullie bij het vuur willen gaan zitten’, zegt Elm, ‘Dan kunnen de festiviteiten gaan beginnen’. Gaya loopt richting de sledes maar Urgh blijft staan. ‘Nee Elm’, zegt hij, ‘Ga jij maar vast zitten. Ik blijf nog even staan. Het is tijd voor mijn eerste taak als dorpswijze van het dorp aan de rivier alvorens we kunnen gaan feesten’.

48. Het zonnewende feest kan beginnen

Langzaam loopt Urgh terug naar het vuur waar hij zojuist overheen gehinkstapt-sprongen is en kijkt over het vuur heen twee mensen vragend aan. Beide knikken van ja. Steunend op zijn linkerbeen en kruk tilt Urgh langzaam zijn rechterkruk op en tikt er driemaal mee op de grond. ‘Geachte voorouders’, zegt hij, ‘Beste dorpsgenoten en grotbewoners. Er is nog een paar wat te kennen heeft gegeven zich vandaag, ten overstaan van de voorouders en jullie allemaal, te willen verbinden’. Met die woorden heeft hij de aandacht van iedereen. ‘Zan, Ani’, vervolgt Urgh, ‘Zouden jullie naar voren willen komen en elkaar beide handen willen toesteken en dan in het vuur willen kijken zodat de voorouders jullie harten kunnen vorsen.’ Blozend strekt Ani haar beide armen uit en de oude jager neemt haar beide handen in die van hem. Langzaam lopen ze tot voor vlak voor het vuur en kijken in de vlammen. De voorouders dansen voor hun, kijken hen een voor een diep in de ogen, lezen het hart van de beide mensen voor het vuur.

Als laatste verschijnt Joli. Zij neemt haar tijd. Het zweet breekt Ani uit. Zal Joli de verbinding tussen haar en Zan tegenhouden? Ani wil haar ogen neerslaan maar doet het niet. Dapper blijft zij Joli aankijken. Dan buigt Joli zich voorover het vuur uit en kust Ani op haar voorhoofd. ‘Zorg goed voor Zan. Dat heeft hij verdiend.’ Ani begint na het horen van deze woorden te stralen en Zan haalt diep adem. De drie mensen bij het vuur horen Joli zachtjes lachen. Joli wenkt Pew om dichterbij te komen. Wanneer Pew naast Urgh staat zegt Joli ‘Ani, mijn dochter gaat over 7 manen een kind krijgen. Ik zou het fijn vinden wanneer jij haar in de laatste zware bevallingsuren bijstaat zoals een moeder haar dochter bijstaat. Wil jij dat voor Pew en mij doen?’ ‘ja Joli’, zegt Ani, met tranen in haar stem, ‘Natuurlijk zal ik Pew bijstaan.’  Joli knikt tevreden, buigt zich dan naar Zan om hem een kus op het voorhoofd te geven en wendt zich dan tot Pew. ‘Je bent nu volwassen Pew’ en kust ook haar op het voorhoofd. Dan lost Joli’s verschijning in de vlammen op. Haar laatste woorden zijn voor Urgh. ‘Ik zou een stap achteruit doen jongen, anders springen Ani en Zan je dadelijk ondanks je krukken omver’. Terwijl de vlammen zich terugtrekken tot vlak boven de grond doet Urgh een stap opzij zodat Ani en Zan hun gezamenlijke toekomst tegemoet kunnen springen wat ze vol overgave doen. Daarna tikt Urgh driemaal met zijn rechterkruk op de grond en zegt ‘Zan en Ani, met deze sprong hebben jullie je voor een jaar verbonden. Wanneer jullie volgend jaar besluiten samen verder te gaan geven jullie dat te kennen door het uitwisselen van de persoonlijke geschenken.’ Urgh valt even stil terwijl Gaya dichterbij komt. ‘Omdat jullie de eerste grotbewoners zijn die zich gaan verbinden heb ik als dorpswjze een geschenk voor jullie beide. Omdat ik zelf nogal wankel sta zal Gaya jullie beide het teken van de Grotten omhangen.’

Als eerste loopt Gaya naar Zan. Zij haalt een ketting met daaraan een holenleeuwtand geflankeerd door twee kleine groene kralen uit haar buidel en hangt deze om de nek van de jager. ‘Jager Zan’, zegt Urgh, ‘Met dit geschenk wil ik je eren als hoofdjager van het grotdorp’. De dorpelingen beginnen te joelen en te schreeuwen de stralende Zan hun felicitaties toe. Met een handgebaar maant Urgh de menigte tot stilte. Gaya loopt naar Ani en haalt een tweede ketting uit haar buidel. Ook deze ketting heeft twee kleine groene kralen en daarttussen hangt een miniatuur lepel. ‘Ani’, zegt Urgh, ‘Met dit geschenk wil ik je eren als hoofdkok van het grotdorp.’ Het gejoel en geschreeuw wat op deze ering volgt is oorverdovend. ‘Dan stel ik voor dat jullie nu mee komen naar het vuur zodat het feest kan beginnen.’

Met hun vieren lopen de grotbewoners naar het vuur van de dorpswijze. Alvorens te gaan zitten zegt Urgh ‘Elm, bedankt dat ik in jouw dorp, bij jouw vuur, mijn eerste taak als dorpswijze mocht uitvoeren.’ Wanneer ook Urgh zit staat Elm op en zegt ‘Beste dorpsgenoten, geëerde gasten, het officiële gedeelte van de dag zit er op. Dan is het nu tijd om te genieten van het zonnewendefeest. Vandaag hoeft niemand honger te lijden. Vanavond hoeft niemand eenzaam te zijn.’ Glimlachend kijkt Elm naar Nana die samen met een aantal ongebonden vrouwen bij het kookvuur staan en zegt ‘Laat het uitdelen van het eten nu beginnen.’

49. Een vruchtbaar en voedselrijk jaar

Al snel zit iedereen te eten. Het uit het grotdorp meegenomen eten valt in goede aarde. ‘Lekker vlees is dit’, zegt Elm tegen Gaya. ‘Hoe heb je het zo zoet gekregen?’. ‘Dat moet je aan Ani vragen’, reageert ze, ‘Samen met Pon en Sim heeft zij  de meest fantastische gerechten bedacht zodat elke dag hetzelfde eten niet elke dag hetzelfde smaakt’. Elm eet met smaak de konijnenbout die Nana hem gegeven heeft. ‘Hier zou ik aan kunnen wennen’, zegt hij. Urgh lijkt even te aarzelen en zegt dan ‘Waarom vraag je Sim niet om Marg en de andere vrouwen te helpen met het bereiden van het eten voor het dorp. Zij heeft veel van Ani geleerd, maar Ani heeft ook wat dingen van haar geleerd. In tegenstelling tot Ani en Pon gaat Sim van de week niet mee terug naar het groydorp.’ Elm kijkt bedenkelijk. ‘Sim’, zegt hij, ‘Ik weet niet. Sim lijkt altijd ontevreden’. ‘Je kan het haar altijd vragen’, zegt Urgh. ‘Voedsel zoeken is niet echt Sim’s ding, maar koken kan ze wel. En vergeet niet dat Sim de moederzuster van Marg is. Marg’s vader en moeder gaan met mij mee naar het Grottendorp. Wellicht dat Marg blij is met een familielid bij jullie in de grot’. Elm lijkt niet overtuigd. Urgh wil nog wat zeggen maar Nana schudt haar hoofd terwijl zij zegt ‘Denk er rustig over na Elm. Je hoeft niet meteen te beslissen.’

Wanneer de eerste honger gestild is begint een van de Omes te vertellen over hoe Ergh dorpswijze werd. Daarna vliegen de verhalen in het rond. De trommelaar begint weer te trommelen en er wordt volop gedanst. De tijd vliegt. Wanneer de zon ondergaat wordt het rustiger rond het vuur. Langzaam maar zeker trekken steeds meer mensen zich terug van het vuur. Oude stellen, nieuwe stellen en tijdelijke stellen zoeken een plekje in het struikgewas rondom het dorp. Wanneer de maan hoog aan de hemel staat zitten er nog maar een paar mannen en vrouwen, voornamelijke Omes en Tantes, samen met Nana rond het vuur. De kinderen van het dorp liggen rond het vuur te slapen. Een van de Omes onderdrukt een geeuw en zegt ‘Ik hoop dat vannacht een vruchtbaar jaar op gaat leveren zodat de voorouders tevreden zijn en we volgend jaar genoeg voedsel hebben’. Tork, die ook nog bij het vuur zit, kijkt de Ome aan en zegt ‘Met twee dorpswijze, twee medicijnvrouwen en twee jagers die zich met toestemming van de voorouders verbonden hebben, en met een kind op komst, kan dat haast niet anders.’ De jager knikt tevreden. De Ome geeuwt nogmaals, laat zich van de slee waar hij op zit glijden en maakt het zich makkelijk op de grond voor de slee. Al snel snurkt hij zachtjes. De overige aanwezige volgen zijn voorbeeld. Alleen Tork en Nana blijven wakker. Om het vuur brandend te houden. Precies zoals de voorouders dat willen tijdens de Zomerzonnewendenacht.

De zon is de volgende morgen al lang en breed op wanneer de laatste dorpsbewoners zich bij het vuur melden voor een kom kruidenthee. Tegen de tijd dat de zon op haar hoogtepunt is zijn Urgh en zijn mede grotbewoners klaar om te vertrekken. De jonge jagers en de vrouwen Lan en Sim blijven achter. Tak, zijn vrouw Yeti en hun zonen Flik en Krap gaan in hun plaats mee naar de grotten aan de rivier.  Het afscheid is kort maar krachtig.  ‘Ik wens jullie een vruchtbare en voedselrijke zomer toe’, zegt Elm, ‘En zie jullie weer tijdens de herfstwendeviering’. De dorpsbewoners herhalen zijn woorden. Urgh wenst de dorpsbewoners hetzelfde toe. Een vruchtbaar en voedselrijk jaar. De grotbewoners herhalen de woorden van hun dorpswijze. Dan is het tijd om te vertrekken. Ze worden uitgezwaaid door de vrolijk juichende dorpsbewoners. Er is slechts een iemand die niet juicht en dat is Nana. Zij weet wat er nodig is voor een vruchtbaar en voedselrijk jaar: Zwangere vrouwen. Gezien de leeftijd van de  vertrekkende dames is de kans klein dat een van hen voor de herfstwendeviering zwanger is. Daarmee is de kans op een voedselrijk jaar dus ook klein. Wat als er te weinig voedsel is om de winter door te komen? Terugkeren naar het dorp is voor de meeste grotbewoners wel mogelijk, alleen niet voor Urgh. Twee dorpswijze in een dorp, dat kan echt niet. Het is Tork die haar gedachten verstoord. ‘Komt tijd komt raad Nana’, zegt hij, ‘De wonderen zijn de wereld nog niet uit, en de voorouders hebben het tot nu toe altijd goed voor gehad met Urgh. Die jongen redt zich wel.’ ‘Ja’, antwoord zij zachtjes, ‘Urgh redt zich wel’.

50. Dagen komen en gaan

De reis terug naar de groten verlopen voorspoedig. Eenmaal terug bij de grotten aan de rivier kondigt Urgh een wijziging op de grotindeling aan. Azel en Yali blijven wonen waar ze wonen. In de grot daarnaast, waar eerst de jonge jagers hebben gewoond neemt Tak met zijn gezin de intrek. De volgende, de grootste grot, zal als woning dienen voor Zan en Ani, Tas, Gaya en Urgh. Vooraan in de grot is voldoende ruimte voor een vuur waar voor het hele dorp gekookt kan worden, in de grotten die er achter liggen zullen de twee stellen een veilig toegangsoord vinden. Bovendien bevinden zich de voedsel- en kruidenvoorraden al in deze grot. Voor Zoe verandert er weinig. Zij blijft in de grot wonen die zij eerder met Zan en Tas heeft gedeeld. Nu komen Pon en Rin daar voor in de plaats. De grot die Urgh en Kleintje gedeeld hebben blijft leeg ‘Totdat we hem nodig hebben’, zegt Argh.

Die dag wordt er weinig meer gedaan maar vanaf de volgende dag gaat iedereen aan het werk. Er wordt gejaagd, groenten gezocht, fruit en noten geoogst. Ani is druk bezig met het drogen van vlees, vis, groenten en kruiden. Naast de grote kom kruidenthee die bij het vuur staat te trekken is Gaya druk bezig met het brouwen van medicijnen. Yali heeft een deel van het kommen en manden maken van Azel overgenomen zodat Azel al zijn tijd in het veilig maken van het pad naar het strand kan steken. Yeti blijkt goed te zijn in het looien van huiden en het maken van kleding en Urgh… Urgh is begonnen met het maken van een nieuwe slee. Dagen komen en gaan en iedereen vindt zijn / haar routine.

Het weer is zacht. Zo zacht dat de herfstwende bijna als een verrassing komt. Wederom gaan de grotbewoners beladen met eten naar het moederdorp om het feest in gezamenlijkheid te vieren. Ondanks het uitbundig vieren van dit feest, ondanks de vier verbindingen is alleen Pew zwanger. Voor de meeste dorps- en grotbewoners is dat voldoende om de herdstwende uitbundig te vieren. Nana spreekt haar zorgen over het uitblijven van zwangerschappen bij Gaya en Marg uit tegen Urgh en Elm. Urgh haalt zijn schouders op. Hij maakt zich weinig zorgen. De jacht, het vissen en het voedsel verzamelen gaat voorspoedig. ‘Volgend jaar gaan Zoe en Tas zich vast verbinding. Jonge vrouwen die zullen snel genoeg zwanger zijn. Wij hoeven ons nu niet te druk maken’, probeert hij Elm en Nana gerust te stellen maar Elm en Nana laten zich niet gerust stellen. ‘Dit jaar is misschien nog een voedselrijk jaar’, zegt Nana, ‘Maar wie garandeert dat volgend jaar dat ook is. Bovendien, jullie moeten beide zonen krijgen die jullie taken over kan nemen als jullie er niet meer zijn. Jullie dochters moeten medicijnvrouwen worden’. Urgh schudt zijn hoofd. ‘Waarom moeten dat onze zonen en dochters zijn?’, vraagt hij, ‘Waarom zou een van de jonge kinderen die daar spelen geen dorpswijze of mediicjnvvrouw kunnen worden? Waarom zou de natuur ons alleen maar voedsel schenken wanneer onze vrouwen zwanger zijn. Waarom hadden we de afgelopen jaren dan regelmatig een slechte jacht en vonden we weinig voedsel. Kijk daar eens. Daar spelen 8 kleine kinderen. Er waren dus vrouwen zwanger. Leg mij dat eens uit?’. Bij het uitspreken van de laatste zin kijkt hij zijn grootmoeder aan. ‘Dat is niet uit te leggen’, antwoord Nana, ‘Het is gewoon zo. Dat weet iedereen’. Urgh is niet overtuigd.

De volgende dag, tijdens de weg naar huis komt Gaya naast hem lopen. Ze kijkt bedrukt voor zich uit. ‘Wat is er Mooie Rooie?’, vraagt Urgh haar. Gaya glimlacht om het koosnaampje wat Urgh voor haar gebruikt wanneer ze samen zijn maar geeft geen antwoord. ‘Is er iets gebeurt toen we in het dorp waren?’, probeert Urgh het nogmaals. Weer doet Gaya er het zwijgen toe. In stilte lopen ze samen verder met Kleintje op de hielen. Ineens zegt Gaya ‘Elm heeft tegen Marg gezegd dat hij hun verdrag laat ontbinden wanneer zij voor de volgende zomerzonnewende niet zwanger is’. Abrupt blijft Urgh stil staan. ‘Wat?’, zegt hij, ‘Is die man gek geworden. Hij had zich geen verstandigere partner kunnen vinden dan Marg’. Hij begint weer te lopen en zegt dan ‘Ben jij daar bang voor? Dat ik dat ook wil?’. Gaya knikt. ‘Ja Urgh, daar ben ik bang voor. Jij bent dorpswijze en dorpswijzen moeten kinderen krijgen voor de opvolging. Jij kan geen vrouw gebruiken die geen kinderen van je kan krijgen.’ Urgh glimlacht naar de kleine vrouw naast hem. ‘Gaya, stop met piekeren. Ik ga jou niet verlaten. Jij bent veel belangrijker dan kinderen. Als jij en ik geen kinderen krijgen, dan wordt niet ons kind, maar een ander kind de volgende dorpswijze. Daar is niets mis mee’. Gaya glimlacht even terug naar de man naast haar maar zegt niet. In stilte lopen ze verder.

Een paar weken na thuiskomst in het grotdorp slaat het zachte weer om en begint het te regen en te stormen. Het is voor de voedselzoekers en jagers nauwelijks mogelijk om de grotten te verlaten. Hele dagen worden binnen doorgebracht en wordt er gegeten van de meer dan toereikende voedselvoorraden. Na drie weken storm gaat de wind liggen en valt de eerste sneeuw. Iedereen is blij. Het in de grot opgesloten zitten is voorbij. Hoewel de vondst en de vangst minder is dan voorheen lukt het toch om de voorraden weer wat te laten groeien. Enkele weken voor de winterzonnewende begint het weer te stormen. Samen met de sneeuw die nog dagelijks valt is het schier onmogelijk om naar buiten te gaan. Iedereen verhuisd naar de grote grot zodat er maar een vuur brandend gehouden hoeft te worden. De grotbewoners gaan alleen naar buiten om hun behoefte te doen of om brandhout te halen. De winterzonnewende wordt in de eigen grot gevierd met een sober maal.

Wanneer na weken de wind gaat liggen ziet de zon kans om regelmatig door het wolkendek heen te breken al is zij nog niet warm genoeg om het enorme pak sneeuw te laten smelten. De ene na de andere dorpsbewoner gaat weer naar buiten. Oude routines worden weer opgepakt. Langzaam wordt het lente al duurt het nog een maanwenteling voordat het lentezonnefeest gevierd kan worden. De avonden zijn nog ijzig koud. Dan, op een stormachtige avond, wanneer de grotbewoners net zitten te eten begint Kleintje zachtjes te janken en loopt naar de huid die bij de ingang hangt en duwt deze weg. Zan, die achter hem aanloopt meent buiten een stem te horen. Snel wenkt hij Tak en Flik. De drie jagers trekken hun warme jassen en hun sneeuwschoenen aan, pakken een fakkel en lopen achter de wolf aan naar buiten, de weide op. Bij het schijnsel van de fakkel zien ze hoe de wolf om een drietal grote voorwerpen die op de weide liggen heenloopt. Als de drie jagers dichterbij komen zien zij wat de voorwerpen zijn. Het zijn Marg, Pew en Tork, drie van hun voormalig dorpsgenoten. Ze zijn alle drie nog nauwelijks bij bewustzijn. Zan stuurt Flik naar de grot terug om Gaya te waarschuwen en de slee van Urgh te halen. Eerst wordt de zwangere Pew naar de grot gebracht, daarna Marg en als laatste Tork. De drie mensen zien er uitgemergeld uit. Pew’s magere lijf steekt schril af bij haar grote zwangere buik.

Al snel zitten de drie dodelijk vermoeide, uitgemergelde en verkleumde mensen in warme huiden gehuld bij het vuur. Op last van Gaya vult Ani drie kommen met verdunde bouillon. Dankbaar begint het drietal te drinken. Na de eerste kom is het Tork die begint te vertellen. Over de jagers die net voor de herfststormen ondanks zijn waarschuwingen gingen jagen en nooit meer terug zijn gekomen. Over het niet goed gedroogde vlees wat boven op het andere vlees was gelegd waardoor alles begon te rotten. Over de honger. De mensen die rottend eten hadden gegeten en ziek waren geworden. Over de sterfgevallen. Over Elm die elke dag met de voorouders sprak en steeds vreemder ging doen en de avond ervoor aan hem, Tork, de opdracht had gegeven Marg en Pew te doden omdat de voorouders hadden gezegd dat de problemen van het dorp door deze twee jonge vrouwen was veroorzaakt en alleen hun bloed het dorp kon redden. ‘Maar ik kon het niet’, eindigt Tork zijn verhaal. ‘Ik heb eenmaal naar de stem van de waanzin geluisterd, ik wilde dat geen tweede keer doen. Dus zijn we op zoek gegaan naar jullie, naar Pew’s vader, Margs ouders en mijn dochter. Naar een leider die zelf denkt en niet alleen maar in het vuur staart’. Tork kijkt zijn toehoorders aan. Ziet de ontzetting in hun ogen.  ‘Urgh, mogen wij hier komen wonen?’. Zonder aarzeling zegt Urgh ‘Jullie zijn welkom. Voor nu heb ik voldoende gehoord, morgen praten we verder, over jullie en over wat er in het dorp gebeurt. Maar eerst moeten jullie rusten en aansterken’.

De kommen van de drie mensen worden nogmaals gevuld en wanneer zij ook die leeg hebben is het tijd om te gaan slapen. Voor het eerst sinds lange tijd stelt Urgh samen met Zan een wachtschema op. ‘Nu je broer tegen de wensen van Elm in is gegaan, en Elm zelfs zijn partner wil offeren, weet ik niet wat hij doet wanneer hij er achter komt dat Tork met de vrouwen gevlucht is’. Zan knikt.  Het is Urgh die samen met Kleintje de eerste wacht neemt.

© Zij van

Hier eindigt deel 1, De lamme jager,  van het Boek van Urgh! Voor deel 2, klik hier.



Geen opmerkingen: